Einde inhoudsopgave
Aandeelhoudersverantwoordelijkheid (VDHI nr. 129) 2015/8.6
8.6 Een contra-argument: individu en collectief
Mr. B. Kemp, datum 21-07-2015
- Datum
21-07-2015
- Auteur
Mr. B. Kemp
- JCDI
JCDI:ADS304978:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Maeijer 1964, p. 15.
Zie voor hetzelfde argument ook: Cahen 1970, p. 77; Olaerts 2007, p. 270.
Zie in dit verband hoofdstuk 5, paragraaf 5.2.
De positie van de aandeelhouders is sterk naar achter getreden ten faveure van de positie van de vennootschap zelf (evenzo: Maeijer 1964, p. 21). De macht van de algemene vergadering van aandeelhouders werd, ten opzichte van de macht van het bestuur, ook verder ingeperkt. Zie over deze ontwikkeling: Maeijer 1964, p. 4-5 en de aldaar aangehaalde literatuur.
Evenzo: De Jongh 2014, p. 333.
Dit lijkt ook te worden bevestigd in het feit dat het stemmen van de individuele aandeelhouder wordt aangemerkt als een rechtshandeling van die aandeelhouder, terwijl het besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders wordt aangemerkt als een rechtshandeling van de rechtspersoon.
Zie in dit verband hetgeen is overwogen in: hoofdstuk 5, paragraaf 5.9.
Het tweede argument voor Maeijer’s opvatting dat de algemene vergadering van aandeelhouders het belang van de gezamenlijke aandeelhouders dient te behartigen, lijkt hij te vinden in het feit dat de individuele aandeelhouder zijn eigen belang mag behartigen:
‘Samenwerkende personen kan men niet beletten dat zij binnen het kader van hun samengaan vooreerst hun eigen belang blijven nastreven.’1
Dit argument ligt op zichzelf voor de hand en is dan ook goed verdedigbaar.2 Er zijn zelfs auteurs die dit dermate vanzelfsprekend achten dat zij in het geheel geen onderscheid maken en de termen aandeelhouder en algemene vergadering van aandeelhouders door elkaar gebruiken. Wanneer wordt geconstateerd dat de individuele aandeelhouder in beginsel zijn eigen belang mag behartigen, zoals in hoofdstuk 5 aan de orde is gekomen, en de individuele aandeelhouder ook in de algemene vergadering van aandeelhouders mag stemmen overeenkomstig zijn eigen belang, dan kan worden verdedigd dat ook het orgaan waarin deze aandeelhouders verenigd zijn, de algemene vergadering van aandeelhouders, het belang van de gezamenlijke aandeelhouders dient te behartigen.
Dit argument veronderstelt wel dat de individuele aandeelhouders en algemene vergadering van aandeelhouders (tot op zekere hoogte) in dezelfde positie binnen de vennootschap verkeren. De vraag is of dit wel juist is. Mijns inziens kan verdedigd worden dat de algemene vergadering van aandeelhouders juist niet (meer) in dezelfde positie verkeert als de individuele aandeelhouder.3 Hieraan ligt de ontwikkeling van de contractuele theorie naar de institutionele theorie ten grondslag. De individuele aandeelhouder en de algemene vergadering van aandeelhouders verkeerden binnen de contractuele theorie in dezelfde positie. De vennootschap draaide om haar aandeelhouders en was op haar belang gericht. De aandeelhouders gaven het bestuur van de vennootschap in last aan (gespecialiseerde) bestuurders, terwijl de aandeelhouders middels de algemene vergadering van aandeelhouders wel de belangrijkste bevoegdheden behielden, zodat zij hun belang(-en) konden waarborgen.
De opkomst van de institutionele theorie heeft in deze opvattingen – zoals hierboven aangehaald – verandering gebracht. De vennootschap kreeg een meer zelfstandige positie ten opzichte van haar aandeelhouders.4 Het bestuur en de raad van commissarissen dienen zich te richten op het belang van de vennootschap en de aandeelhouder is in verdergaande mate als een (vermogensrechtelijke) derde ten opzichte van de vennootschap komen te staan.5 Daarmee veranderde de positie van de individuele aandeelhouder ten opzichte van die van de algemene vergadering van aandeelhouders. Hoewel deze institutionalisering zich niet volledig lijkt te hebben doorgezet, zijn de posities van individu en orgaan wel uiteengelopen.6
Bovendien kan hier worden opgemerkt dat ook wanneer wordt uitgegaan van het belang van de gezamenlijke aandeelhouders als het door de algemene vergadering van aandeelhouders te behartigen belang, dit belang niet altijd overeenkomt met het belang van de individuele aandeelhouder(-s). Hierboven is er reeds op gewezen dat het belang van de individuele aandeelhouders binnen de vennootschap sterk kan verschillen, zeker wanneer sprake is van een meerderheidsaandeelhouder en één of meer minderheidsaandeelhouders. Ook kunnen belangen die de aandeelhouder heeft in een andere hoedanigheid dan als aandeelhouder een rol spelen bij het bepalen van zijn eigen belang,7 waardoor de belangen van de individuele aandeelhouders nog verder uit elkaar kunnen liggen. Bovendien is de algemene vergadering van aandeelhouders zo ingericht dat in de regel een absolute meerderheid van de stemmen nodig is om een besluit te nemen. De meerderheid beslist dus over de inhoud van het te nemen besluit. Dat besluit zal het belang van die meerderheid behartigen, hetgeen niet noodzakelijkerwijs hetzelfde belang is als het belang van de andere (minderheid van) aandeelhouders.
Het is derhalve maar de vraag of een belang van de gezamenlijke aandeelhouders kan worden vastgesteld en of, wanneer dit het geval is, dit belang nog aansluit op de belangen van de individuele aandeelhouders. In zoverre doet zich hier dezelfde situatie voor als wanneer de algemene vergadering van aandeelhouders het vennootschappelijk belang dient te behartigen; in beide gevallen wijkt het belang af van het belang dat de individuele aandeelhouder mag behartigen.