Wilsdelegatie in het erfrecht
Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/II.5.2.3.3:II.5.2.3.3 Waarom geen subjectieve maatstaf?
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/II.5.2.3.3
II.5.2.3.3 Waarom geen subjectieve maatstaf?
Documentgegevens:
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS623194:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 4.4.2.6 ‘Ratio objectieve maatstaf: derdenwerking’.
Vgl. in dit kader ook Kapteins visie als uiteengezet in paragraaf 4.4.2.7 ‘Ruimte voor subjectieve elementen met betrekking tot goederenrechtelijke verhoudingen’ en Kaptein 2013.
Zie ook onze zuiderburen, waar het legaat met keuzeverlening ex certis personis in beginsel wordt toegestaan. Zie hiervoor Debucquoy 2012, nr. 44-61.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De reden dat er volgens de heersende leer een objectieve maatstaf geldt voor het bepaaldheidsvereiste in goederenrechtelijk verhoudingen, is gelegen in de absolute werking van de goederenrechtelijke rechten. Derden dienen duidelijk te weten welk goed tot wiens vermogen behoort. De objectieve maatstaf dient aldus de belangen van derden en daarmee de rechtszekerheid in het rechtsverkeer.1
De rechtszekerheid kwam bij de erfstelling ook al om de hoek kijken als rechtvaardiging van het vereiste van onmiddellijke identificeerbaarheid van de testamentaire erfgenamen (paragraaf 5.2.2.3). Niettemin betoogde ik in paragraaf 5.2.2.4 dat in het erfrecht rechtsonzekerheid niet al te gauw hoeft te worden gevreesd. Erflaters rechtsopvolgers zijn immers telkens bekend, omdat de versterferfgenamen als ‘vangnet’ fungeren indien erflater geen erfgenamen heeft benoemd. Met het oog op erflaters testeervrijheid (vgl. hoofdstuk 1) vraag ik me af waarom er geen soepel bepaaldheidsvereiste voor het bepalen van de erfgenamen kan gelden, dat ruimte biedt voor een nadere concretisering ‘achteraf’ aan de hand van subjectieve elementen?2 Een dergelijke nadere concretisering van de erfgenamen aan de hand van subjectieve elementen, bijvoorbeeld het oordeel van een derde, zou – vanuit de hypthese bekeken – niet in strijd zijn met het gesloten stelsel (paragraaf 2.2.3), noch met de vormvoorschriften (zie paragraaf 2.3 en 4.6.4). Het is dan immers erflaters wil, dat een derde de erfgenamen nader bepaalt en deze wil van erflater is in de uiterste wil terug te vinden. Erflater verwijst hiervoor niet naar buiten de uiterste wil gelegen stukken, zoals een schrift of een dossier.
Ik wil hierbij evenwel niet ondermijnen dat er in goederenrechtelijke verhoudingen sprake is van derdenwerking en dat daarom uiteindelijk duidelijk moet zijn welk goed tot wiens vermogen behoort, maar waarom zou deze duidelijkheid niet aan de hand van een nadere concretisering van erflaters wil door een derde kunnen plaatsvinden? Wat ik voor ogen heb is een erfstelling met een zekere mate van bepaaldheid ten aanzien van de erfgenamen, die niet botst met de rechtszekerheid en waarin toch ruimte is voor flexibiliteit aan de hand van subjectieve elementen. Ik doel anders gezegd op een erfstelling met een begrensde mogelijkheid om de erfgenamen nader te laten bepalen door een derde. Een dergelijke erfstelling heeft in de rechtspraak van onze oosterburen, zoals nader belicht in paragraaf 3.3.5, in het middelpunt van de belangstelling gestaan.3 Wat was ook alweer het geval?