Einde inhoudsopgave
Het inzagerecht (BPP nr. IX) 2010/16
16 Een eigen ontwerp
Mr. J.R. Sijmonsma, datum 17-05-2010
- Datum
17-05-2010
- Auteur
Mr. J.R. Sijmonsma
- JCDI
JCDI:ADS457592:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Rb Arnhem 29 september 2004, AR3532, zie par. 8.4.1.
Zo ook M. de Tombe-Grootenhuis, Voorstel voor een Europese disclosure, Liber Amicorum Paul Meijknecht, van Nederlands naar Europees procesrecht, onder redeactie van E.H. Hondius, A.W. longbloed en R.Ch. Verschuur, Deventer, Kluwer 2000, p. 309 en de ABP.
Vergelijk ook het voorbeeld van Ligtenberg over de hond die vlees steelt zoals is vermeld in par. 2.1.3.
M. Ynzonides, Uitgebalanceerd, p. 20-21, in 'Beschouwingen over het Eindrapport Fundamentele Herbezinning Nederlands Burgerlijk Procesrecht', Procesrechtelijke reeks NVvP nr. 16, Boom Juridische uitgevers Den Haag, 2006.
Ekelmans (boek), p. 68.
P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt, Opening van zaken, TCR 2002, p.13.
M. de Tombe-Grootenhuis, Voorstel voor een Europese disclosure, Liber Amicorum Paul Meij-knecht, van Nederlands naar Europees procesrecht, onder redeactie van E.H. Hondius, A.W. Jongbloed en R.Ch. Verschuur, Deventer, Kluwer 2000, p. 311.
Al het voorgaande in beschouwing nemend, ben ik van mening dat een artikel waarin het recht op inzage wordt neergelegd, een ruime bevoegdheid moet geven, zodat de procesdeelnemers bewijs kunnen vergaren, bewijs veilig stellen en inzage in bewijsstukken kunnen krijgen. Partijen en de rechter moeten voldoende instrumenten in handen hebben om de materiële waarheid te kunnen vinden. De rechter moet hierbij, gelet op het principe van de partijautonomie, niet meer kunnen vragen dan een procespartij. Hij mag wel ambtshalve inzage vragen, maar een uitspraak als die van de rechtbank Arnhem van 29 september 2004,1 waarbij een imagevordering in financieringsaanvragen werd afgewezen, maar gedaagde vervolgens op de voet van art. 22 Rv werd gelast om die aanvragen in het kader van een comparitie in het geding te brengen, vind ik ongewenst. Een rechter mag dus ambtshalve vragen wat een partij niet heeft gevraagd, maar niet dat wat een partij niet mag vragen.
In het kader van het bewijsrecht, waar het recht op inzage onder valt zodat dit recht ook opgenomen moet worden in de paragraaf waarin de algemene bepalingen van het bewijsrecht worden geregeld,2 dient inzage in alle objecten die bewijs kunnen inhouden of dragen gevraagd te kunnen worden. Een flesje parfum of sportschoenen voor onderzoek naar de vraag of het product vervalst is, een foto, een cd, dvd, maar ook een auto die bij een botsing is betrokken of kledingstukken die misschien zijn gedragen bij een vechtpartij waarbij bloed is gevloeid, en ook de hond die mij heeft gebeten om aan de hand van bijvoorbeeld gebitafdrukken te kunnen vaststellen dat het inderdaad die hond is geweest die mij heeft gebeten.3 Om deze bewijsmiddelen te kunnen verkrijgen, dient een algemeen bewijsbeslag gelegd te kunnen worden, ook op bijvoorbeeld een tandenborstel waarin speeksel kan zitten of een haarborstel waarin haren kunnen zitten.
Ik zie geen bezwaar tegen overname van een artikel als art. 142 Rv-NA&A. Een dergelijk artikel is passend in een stelsel waarin een ieder als getuige kan worden gedagvaard. Ik zie dan geen te rechtvaardigen onderscheid waarom geen inzage in objecten die iemand onder zich heeft, gevorderd zou kunnen worden.
Het valt niet uit te sluiten dat er vanuit de EG nog de nodige Richtlijnen zullen komen die direct of indirect van invloed zijn op het terrein van het inzagerecht. Bij wijze van voorbeeld noem ik de kennelijk bestaande wensen om het procesrecht in verschillende stromen in te delen zoals snelrecht, consumentenrecht, diepgravende procedures, enz. Om die reden lijkt het minder opportuun om nu al een volledig nieuwe regeling voor te stellen. Dat zou de rechtszekerheid niet bevorderen. Een beperkte wijziging van de regeling van het inzagerecht lijkt wel noodzakelijk. Zolang vanuit bijvoorbeeld de EG via Richtlijnen nog geen verplichting tot disclosure-achtige maatregelen worden opgelegd, vind ik het niet gewenst om een disclosurebepaling op te nemen. Een dergelijke procedure is kostbaar en tijdrovend, terwijl de noodzaak voor een dergelijke procedure nog onvoldoende is gebleken gelet op de stand van zaken in de jurisprudentie omtrent art. 843a Rv. Medestanders vind ik in onder andere Ynzonides, die schrijft dat de procesvoering bepaald gediend zou zijn met een ruimere toepassing van art. 843a Rv, zonder op te schuiven naar ongewenste vistochten of naar Angelsaksich model opgetuigde discovery verplichtingen. Naar zijn mening gaat de Commissie Asser-Vranken-Groen in haar eindrapport Uitgebalanceerd verder dan gewenst, omdat doorgaans pas in de loop van de procedure zal blijken of een eiser echt een zaak heeft, en welke documenten noodzakelijk zijn. Dit proces moet, aldus Ynzonides, niet al te veel naar voren worden gehaald.4 Ik onderschrijf die opvatting, met dien verstande dat dit niet alleen voor de eisende partij geldt, maar ook voor de gedaagde partij. Ook die doet regelmatig een vordering tot inzage. Dezelfde mening als Ynzonides heeft Ekelmans die wars is van te grote veranderingen en verkondigt dat de praktijk inmiddels tegen lage kosten tot een bevredigend resultaat komt wat de toepassing van art. 843a Rv betreft.5
Het uit de wet verwijderen van het bestanddeel 'rechtsbetrekking waarin hij partij is', zoals von Schmidt auf Altenstadt verdedigt,6 gaat mij te ver. Uit de jurisprudentie blijkt dat het een nuttige en aanvaarbare begrenzing geeft, welke bij een ruimhartige uitleg zoals ik hiervoor heb verdedigd, geen sta in de weg is.
Het voorstel van De Tombe-Grootenhuis om partijen te verplichten om bij de aanvang van het geding de voor de beslissing van het geding relevante bescheiden over te leggen,7 acht ik minder bruikbaar omdat de kans groot is dat onnodige stukken worden overgelegd. Het komt te vaak voor dat bij de aanvang van een geding, ondanks het bestaan van de mededelingsplicht in art. 111 lid 3 Rv, nog onduidelijk is in welke richting de procedure zich begeeft.
Al met al kom ik tot het volgende voorstel.
Artikel 22
De rechter kan in alle gevallen en in elke stand van de procedure partijen of een van hen bevelen door hen of een van hen ingenomen stellingen toe te lichten. Partijen kunnen dit weigeren indien daarvoor gewichtige redenen zijn. De rechter beslist of de weigering gerechtvaardigd is, bij gebreke waarvan hij daaruit de gevolgtrekking kan maken die hij geraden acht.
De rechter kan in alle gevallen en in elke stand van de procedure partijen of een van hen bevelen die voorwerpen over te leggen waarvan een partij op de voet van artikel 155a inzage, afschrift, uittreksel, overlegging of onderzoek kan verlangen. Op dit bevel zijn de bepalingen van artikel 155a van toepassing.
Artikel 155a
Hij die daarbij rechtmatig belang heeft, kan op zijn kosten inzage, afschrift, uittreksel, overlegging of onderzoek vorderen van informatie zich bevindend in, op of aan bepaalde voorwerpen aangaande een rechtsbetrekking waarbij hij of zijn rechtsvoorgangers zijn betrokken, van degene die deze voorwerpen te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft.
De rechter kan op vordering van een partij op diens kosten aan een ander dan partijen, na deze te hebben gehoord of daartoe de gelegenheid te hebben gegeven, bevelen binnen een door de rechter te stellen termijn schriftelijk inlichtingen te verschaffen en voorwerpen over te leggen die deze ander te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft.
De rechter bepaalt, zo nodig, de wijze waarop, en de voorwaarden waaronder aan het op grond van het eerste of tweede lid gegeven bevel gehoor moet worden gegeven. De rechter kan aan het op grond van het eerste of tweede lid gegeven bevel een dwangsom verbinden. Aan het op grond van het tweede lid gegeven bevel kan hij eveneens gijzeling overeenkomstig artikel 173 verbinden. Indien het op grond van het eerste of tweede lid gegeven bevel niet wordt opgevolgd, kan de rechter bovendien daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.
Hij die uit hoofde van zijn ambt, beroep of betrekking tot geheimhouding verplicht is, is niet gehouden aan de in het eerste of tweede lid bedoelde vordering te voldoen, indien de bescheiden uitsluitend uit dien hoofde te zijner beschikking staan of onder zijn berusting zijn.
Degene tot wie de in het eerste of tweede lid bedoelde vordering is gericht, is niet gehouden aan deze vordering te voldoen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn.
Onder voorwerpen in de zin van dit artikel worden mede verstaan: bescheiden of andere gegevensdragers, dragers van natuurlijke gegevens inbegrepen.
Artikel 155b
De in artikel 155a bedoelde vordering kan worden ingesteld als incidentele vordering op elk moment tijdens de procedure of als zelfstandige vordering, ook in kort geding.
De rechter is bevoegd zijn beslissing op de vordering in het incident als bedoeld in het eerste lid ambtshalve aan te houden in afwachting van de uitkomst van andere bewijsverkrijgende maatregelen.
Zevende afdeling
Van conservatoir beslag tot afgifte van zaken en levering van goederen en van beslag ter inzage op de voet van artikel 155a
Artikel 730
Ieder die recht heeft op afgifte van een roerende zaak of levering van een goed of die zodanig recht door een rechterlijke uitspraak tot vernietiging of ontbinding kan verkrijgen, dan wel op de voet van artikel 155a inzage, afschrift, uittreksel, overlegging of onderzoek van een voorwerp kan vorderen, kan deze zaak of dit goed ter bewaring van dit recht, of dit voorwerp ter inzage, afschrift, uittreksel, overlegging of onderzoek in beslag nemen.
Artikel 730a
Op het in artikel 730 op de voet van artikel 155a te leggen en gelegde beslag zijn de artikelen 700, eerste en derde lid, 701, 702, 703, 705, 706 en 709 van overeenkomstige toepassing.
Het verlof om beslag op de voet van artikel 155a te mogen leggen wordt verzocht bij verzoekschrift waarin de aard van het te leggen beslag en de reden daarvoor worden vermeld. De voorzieningenrechter beslist na summier onderzoek. Bij het verlof kan de voorzieningenrechter, onverminderd artikel 64, derde lid, tevens verlof verlenen het beslag te leggen op alle dagen en uren. Tegen een krachtens dit artikel gegeven verlof is geen hogere voorziening toegelaten.
Wordt de vordering ex artikel 155a in de hoofdzaak afgewezen, en is deze afwijzing in kracht van gewijsde gegaan, dan vervalt daardoor tevens van rechtswege het beslag.