Recht, plicht, remedie
Einde inhoudsopgave
Recht, plicht, remedie (R&P nr. CA25) 2022/4.5:4.5 Conclusie
Recht, plicht, remedie (R&P nr. CA25) 2022/4.5
4.5 Conclusie
Documentgegevens:
W.Th. Nuninga, datum 23-06-2022
- Datum
23-06-2022
- Auteur
W.Th. Nuninga
- JCDI
JCDI:ADS657482:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie hiervoor § 4.3.
Rb. Gelderland 6 juni 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:5234.
Rb. Amsterdam 6 augustus 2010, ECLI:NL:RBAMS:2010:BN3398.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Schadevergoeding in natura wordt in de praktijk vooral toegewezen waar de norm meer beschermt dan vermogen alleen.1 Dat is ook terecht: als het doel van de schadevergoeding is om de gerechtigde zoveel mogelijk te bieden waar de norm hem aanspraak op gaf en een prestatie van de gedaagde hem dichter in de buurt brengt dan een vergoeding in geld, dan ligt toewijzing in de rede. Het zou dan ook goed passen om in die gevallen waar de norm strekte tot bescherming van meer dan alleen vermogensbelangen een prima facie recht op schadevergoeding in natura aan te nemen. Omdat de Nederlandse wetgever het primaat uitdrukkelijk bij de schadevergoeding in geld heeft gelegd en een veroordeling tot het verrichten van een prestatie een verdergaande inbreuk op de vrijheid van de gedaagde maakt dan de veroordeling tot betaling van een geldsom, is dat evenwel geen harde aanspraak. Het zal steeds aan de rechter zijn om te beoordelen of binnen de door de norm geschetste kaders ruimte is voor een vergoeding in natura.
In lijn met het discretionaire karakter van de remedie is de rechter vrij bij het maken van die keuze. Hij kan zich daarbij evenwel laten leiden door de norm. Ten eerste is het van groot belang dat de gevorderde prestatie in concreto niet te ver gaat: de schadevergoeding in natura biedt geen grondslag om de gerechtigde meer te bieden dan waar de geschonden norm hem recht op gaf. De rechter zal zich dus een goed beeld moeten vormen van waar de norm precies recht op gaf en in hoeverre de gevorderde prestatie de gerechtigde daar dichter bij in de buurt brengt. Zo werd door de Rechtbank Gelderland een jegens een bouwkundig inspecteur gerichte vordering tot het verrichten van herstelwerkzaamheden aan het (onzorgvuldig) geïnspecteerde gebouw afgewezen: de eiser had recht op een zorgvuldige inspectie, maar had geen recht op een gebouw dat vrij van gebreken was. Hoewel de onzorgvuldige inspecteur had kunnen worden aangesproken voor schade die voortvloeide uit de gebrekkige inspectie – bijvoorbeeld omdat de eiser het bouwwerk anders nooit had aangeschaft – kon hij vanzelfsprekend niet worden aangesproken tot herstel.2
Daarnaast kan de norm nog wel enige ‘zachte’ invloed uitoefenen. Het hiervoor besproken geval van de notaris die het familieschilderij aan de verkeerde toebedeelt waarna het wordt verkocht, is daar een goed voorbeeld van.3 De gevorderde prestatie is hier kostbaar: het schilderij werd inmiddels aangeboden voor €80.000. Toch zag de rechtbank aanleiding de notaris te veroordelen een poging te wagen het schilderij te verwerven en aan de juiste erfgenaam te geven. Dat past ook bij de hoge mate van zorg die van een notaris verwacht mag worden bij dit soort gevoelige zaken. Was het hier bijvoorbeeld gegaan om een tussenpersoon die een lading graan aan de verkeerde partij verkoopt, dan lag een vergoeding in natura wellicht minder voor de hand. De zorgplicht die daarbij hoort, impliceert niet meer dan een financiële verantwoordelijkheid.