Het besluit van de rechtspersoon
Einde inhoudsopgave
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/III.4:III.4 Conclusie
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/III.4
III.4 Conclusie
Documentgegevens:
mr. K.A.M. van Vught, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. K.A.M. van Vught
- JCDI
JCDI:ADS178718:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Naar geldend recht komt een besluit vormvrij tot stand. Het is zinvol aan dit uitgangspunt vast te houden, al verdient het aanbeveling de ruimte voor ‘schijnbesluiten’ klein te houden. Het is dus steeds aan de rechter om in voorkomende gevallen het bewijs dat een besluit is genomen, te wegen. Steeds moeten duidelijke aanwijzingen bestaan dat besluitvorming heeft plaatsgevonden, zo blijkt uit de omvangrijke jurisprudentie over benoemingsbesluiten. Dat geldt temeer voor besluiten die de structuur van de rechtspersoon raken of die voor bepaalde individuen verstrekkende consequenties hebben.
De uitleg van een besluit moet daarentegen naar objectieve maatstaven geschieden. De rechter mag slechts voor eenieder kenbare stukken in zijn uitleg betrekken en moet het besluit uitleggen overeenkomstig de logische, taalkundige betekenis van die stukken. Wel zullen de omstandigheden van het geval – vaker dan de bestaande literatuur doet vermoeden – aanleiding moeten geven voor een meer subjectieve uitleg, dat wil zeggen een interpretatie waarin de wederzijdse bedoeling van de betrokkenen een grote rol speelt. Het betreft besloten verhoudingen die wel wat ‘contractueels’ hebben. Op de vloeiende lijn van DSM/Fox verschuift de uitleg dan meer richting Haviltex.
Maar hoe bestaat het, dat een besluit subjectief totstandkomt maar objectief moet worden uitgelegd? Dit lijkt een vreemde tegenstelling, maar is in wezen een valse. In beide gevallen gaat het om uitgangspunten. Als de totstandkoming van een besluit alleen subjectief vast te stellen is, zullen doorgaans geen of weinig objectieve gegevens voorhanden zijn om het uit te leggen. De rechter moet zich vastklampen aan wat hem ter beschikking staat. Niets hindert hem in zo’n geval om objectief uit te leggen. In zoverre heeft het hier geschrevene alleen relatieve waarde – het zal steeds aan de rechter zijn om gegeven de omstandigheden, het gestelde en de naar voren gebrachte bewijzen te bezien of en met welke inhoud een besluit is genomen. Er is geen wet van Meden en Perzen.