Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/I.3.3.4.5
I.3.3.4.5 Tussenconclusie
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS625068:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Halding-Hoppenheit 2003, p. 73. Hierbij dient evenwel aangetekend te worden dat, indien men de heersende leer volgt, in § 2200 BGB evenwel toch een uitzondering op § 2065 I BGB kan worden gezien. Zie mijn opmerking hieromtrent in paragraaf 3.3.4.3.
Met de kanttekening dat § 14III Höfeordnung bepaalt dat: ‘Der überlebende Ehegatte kann, wenn ihm der Eigentümer durch Verfügung von Todes wegen eine dahingehende Befugnis erteilt hat, unter den Abkömmlingen des Eigentümers den Hoferben bestimmen. Seine Befugnis erlischt, wenn er sich wieder verheiratet oder wenn der gesetzliche Hoferbe das fünfundzwanzigste Lebensjahr vollendet. Die Bestimmung erfolgt durch mündliche Erklärung zur Niederschrift des Gerichts oder durch Einreichung einer öffentlich beglaubigten schriftlichen Erklärung; die Niederschrift wird nach den Vorschriften des Beurkundungsgesetzes errichtet. Mit Abgabe der Erklärung tritt der neu bestimmte Hoferbe hinsichtlich des Hofes in die Rechtsstellung des bisherigen gesetzlichen Hoferben ein. Auf Antrag eines Beteiligten regelt das Gericht, und zwar auch mit Wirkung gegenüber Dritten, die mit dem Übergang des Hofes zusammenhängenden Fragen (curs. NB).’ Enkel ‘der überlebende Ehegatte’ kan zodoende de bevoegdheid krijgen om ‘unter den Abkömmlingen’ de ‘Hoferbe(n) ’ uit te kiezen. Deze uitzondering op § 2065 II BGB maakt wilsdelegatie ten aanzien van het bepalen van de erfgenamen mogelijk, zij het binnen een strikt kader. Zie ook Halding-Hoppenheit 2003, p. 84-86.
De bepalingen van § 2064 BGB en § 2065 I BGB gelden steevast, zonder uitzonderingen.1 Dit is anders voor wat § 2065 II BGB betreft. Met betrekking tot het in dit artikel gelegen Drittbestimmungsverbot geldt een aantal wettelijke uitzonderingen die in de paragrafen 3.3.4.1 t/m 3.3.4.4 aan bod zijn gekomen. Deze uitzonderingen hadden betrekking op het legaat, de last, de tenuitvoerlegging van het testament en de verdeling van de nalatenschap. Voor de erfstelling kent de wet geen uitzondering op het Drittbestimmungsverbot. In feite geldt dit verbod dus enkel onverzwakt voor de erfstelling. Erflater zal steeds zelf de erfgenamen en erfdelen dienen te bepalen en kan dit, anders dan bij een verkrijging krachtens een legaat of last, niet aan een ander overlaten.2 Een erfstelling met Drittbestimmung is nietig (§§ 2065 II jo. 134 BGB). De wetgever is wat dat betreft onverbiddelijk. De rechtspraak en literatuur zijn dit evenwel niet.
In de navolgende subparagraaf komen twee uitspraken aan bod die in de literatuur een belangrijke stempel hebben gedrukt op de uitleg van § 2065 II BGB voor de erfstelling.