Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/6.5.3.3.1
6.5.3.3.1 Kennelijke bouwbestemming
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291392:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De wetgever lijkt bij de definitie van het begrip ‘bouwterrein’ over het hoofd gezien te hebben gezien dat een onbebouwd terrein ook bestemd kan zijn voor de bebouwing met een deel van een gebouw (M. van der Wulp, ‘Bouwbestemming als toegevoegde waarde?’, BtwBrief 2016/107.). Uit de parlementaire geschiedenis blijkt niet dat de wetgever beoogd heeft om een dergelijk terrein uit te sluiten, terwijl uit (het doel van) art. 135 lid 1, onderdeel k Btw-richtlijn en art. 11 lid 6 Wet OB volgt dat ook in dat geval sprake moet zijn van een bouwterrein. Het komt mij voor dat deze ‘slip of the pen’ met behulp van een teleologische (richtlijnconforme) interpretatie van art. 11 lid 6 Wet OB weg te poetsen is.
HR 12 december 2014, nr. 13/01646, BNB 2015/49, m.nt. Bijl, r.o. 3.4.2.
Zie hierover nader: M. van der Wulp, ‘Erbij behorend bouwterrein?’, BtwBrief 2015/15, p. 5. Zie ook: Bijl, noot bij HR 12 december 2014, nr. 13/01646, BNB 2015/49 en Van Zadelhoff, noot bij HR 16 juni 2017, nr. 16/03358, BNB 2017/169.
Kamerstukken II 2016/17, 34 552, nr. 4, p. 14.
MvT, Kamerstukken II 2016/17, 34 552, nr. 3, p. 87.
MvT, Kamerstukken II 2016/17, 34 552, nr. 3, p. 87.
M. van der Wulp, ‘Bouwbestemming als toegevoegde waarde?’, BtwBrief 2016/107.
Kamerstukken II 2016/17, 34 552, nr. 14, p. 64. Vgl. HR 24 december 2004, nr. 39.489, BNB 2005/124, m.nt. Bijl, r.o. 3.3.3, M.M.W.D. Merkx, ‘Bouwterreinen; ruim blikveld voor de Hoge Raad’, BTW-Bulletin 2005/13 en M. van der Wulp, ‘Bouwbestemming als toegevoegde waarde?’, BtwBrief 2016/107.
Vgl. HR 24 december 2004, nr. 39.489, BNB 2005/124, m.nt. Bijl, r.o. 3.3.3 en 3.3.4.
MvT, Kamerstukken II 1993/94, 23 638, nr. 3, p. 10 en 11. In de praktijk bestaat verschil van inzicht hoe concreet het bebouwingsvoornemen van de (ver)koper moet zijn. Is een voornemen tot bebouwing voldoende, moeten er concrete bouwplannen zijn of moeten er door de (ver) koper al bepaalde investeringen zijn gedaan met het oog op de bebouwing (W. Tigchelaar en F.Y. Weeber, ‘Kennelijke (bouw)bestemming – het verschil tussen (on)bebouwd en bouwterrein’, WPNR 2017/7168, p. 841 en J. Rous en K.F.H. van Lierop, 'Verslag 44e Fiscale Conferentie “Vastgoed”', WFR 2018/26, p. 155)? Uit de genoemde voorbeelden in de parlementaire geschiedenis is naar mijn mening af te leiden dat een kennelijke bouwbestemming vereist dat er in ieder geval concrete bouwplannen zijn.
Sinds 1 januari 2017 wordt onbebouwde grond die kennelijk bestemd is om te worden bebouwd met één of meer gebouwen op grond van art. 11 lid 1, onderdeel a, 1° jo. (thans) art. 11 lid 6 Wet OB aangemerkt als een bouwterrein.1 Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad is af te leiden dat het begrip ‘bouwterrein’ niet beperkt is tot een onbebouwd terrein dat zelf (kennelijk) bestemd is om te worden bebouwd. Ook een onbebouwd terrein dat zelf niet (kennelijk) bestemd is om te worden bebouwd, maar (kennelijk) bestemd is voor het inrichten van een bij een nieuw gebouw behorend terrein (zie paragraaf 5.4.4) is volgens de Hoge Raad een bouwterrein.2 Deze oprekking van het begrip ‘bouwterrein’ vindt naar mijn mening geen steun in (het doel) van art. 135 lid 1, onderdeel k Btw-richtlijn op grond waarvan het geleverde onbebouwde terrein zelf bestemd moet zijn om te worden bebouwd.3 Dit oordeel is ook moeilijk te rijmen met de huidige definitie van het begrip ‘bouwterrein’ op grond waarvan het geleverde onbebouwde terrein kennelijk bestemd moet zijn om te worden bebouwd met één of meer gebouwen. Omdat over de richtlijnconformiteit van deze ruime uitleg van het begrip ‘bouwterrein’ naar mijn mening in ieder geval redelijke twijfel mogelijk is, had de Hoge Raad hierover een prejudiciële vraag moeten stellen en is hij gehouden om dit in een voorkomend geval alsnog te doen (zie paragraaf 2.3.5.2.2). Voor de vraag wat onder bebouwing moet worden verstaan zij verwezen naar de uitleg van het uniebegrip ‘gebouw’ (zie paragraaf 4.2.2.2.).
Uit de parlementaire geschiedenis is op te maken dat het woord ‘kennelijk’ in art. 11 lid 6 Wet OB hetzelfde betekent als ‘blijkbaar’.4 Met het woord ‘kennelijk’ heeft de wetgever tot uitdrukking willen brengen dat de bouwbestemming van het onbebouwde terrein op het moment van levering moet blijken uit objectieve gegevens.5 In de parlementaire geschiedenis is opgemerkt dat de vier bouwterreincriteria die tot 1 januari 2017 in art. 11 lid 4 Wet OB waren opgenomen, voorbeelden zijn van objectieve gegevens waaruit de bebouwingsbestemming van het onbebouwde terrein volgt (zie voor deze bouwterreincriteria paragraaf 6.5.3.3.3). De bebouwingsbestemming van het geleverde onbebouwde terrein kan echter ook blijken uit andere objectieve gegevens, zoals een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit die op het moment van levering is aangevraagd (maar nog is niet verleend) of gemaakte architectkosten die zien op het te bouwen gebouw op het betreffende terrein.6 Hieruit is af te leiden dat het door objectieve gegevens ondersteunde bebouwingsvoornemen van de (ver)koper volstaat om een onbebouwd terrein als een bouwterrein aan te merken.7 Blijkt op het moment van levering uit één of meerdere andere objectieve gegevens dat het onbebouwde terrein in de voorzienbare toekomst niet kan worden bebouwd, dan is geen sprake meer van de levering van een bouwterrein.8 Hieruit volgt dat een door objectieve gegevens ondersteund bebouwingsvoornemen van de (ver)koper niet volstaat om een bouwterrein aan te nemen indien er in de voorzienbare toekomst geen bebouwingsmogelijkheid is.9 Uit de in de parlementaire geschiedenis genoemde objectieve gegevens is naar mijn mening af te leiden dat de wetgever onverkort vasthoudt aan de eis dat de bebouwingsbestemming ‘duidelijk’ moet zijn en dat daarom ‘weinig concrete ontwikkelingsplannen’ niet volstaan om een kennelijke bouwbestemming aan te nemen.10