Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/19.2.3
19.2.3 Indirecte doorbraak door aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS404666:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Mijns inziens heeft dit risico zich bijvoorbeeld verwezenlijkt in de conclusie bij het in par. 19.8.5 te bespreken Comsys-arrest.
Zie hoofdstuk 7 inzake veil piercing en hoofdstuk 13 inzake existenzvernichtenden Eingriffs.
Zie par. 7.3.
Zie bijvoorbeeld overweging 3.1 van A-G Timmerman in zijn conclusie bij HR 12 september 2008, JOR 2008/297 (Coutts). In zijn preadvies van 1977 concludeerde Roelvink al dat geen eenduidig antwoord mogelijk is op de vraag wanneer door rechtspersonen heen mag worden gekeken. Hij wees daarom een te schematische benadering van de hand in een poging om “tussen Scylla (ordeloze casuïstiek) en Charybdis (te ongenuanceerde formules) door te zeilen.” (Roelvink 1977, p. 177).
Naast de directe doorbraak is in de rechtspraak van de Hoge Raad een leer van indirecte doorbraak van aansprakelijkheid ontwikkeld. Bij een indirecte doorbraak wordt het handelen of nalaten van een aandeelhouder gekwalificeerd als een onrechtmatige daad jegens één of meer crediteuren van de vennootschap. Met de term ‘indirecte doorbraak’ wordt tot uitdrukking gebracht dat de aandeelhouder ondanks het in art. 2:64/175 BW vervatte (voor)recht van de beperkte aansprakelijkheid tóch aansprakelijk is jegens de crediteuren van de vennootschap, zij het dat de aansprakelijkheid niet volgt uit een directe terzijdestelling van rechtspersoonlijkheid, maar haar grondslag vindt in art. 6:162 BW. Bij een nadere beschouwing van de betreffende jurisprudentie valt op dat het gaat om zeer uiteenlopende gevallen waarin slechts zelden een aansprakelijkheid is aangenomen van een aandeelhouder voor alle verplichtingen van de vennootschap.
Een nadeel van het veelvuldige gebruik van de term ‘indirecte doorbraak’ is dat ten onrechte het beeld kan ontstaan dat de verschillende uitspraken op eenzelfde leest zijn geschoeid. Dit brengt het risico mee dat nieuwe casusposities in de eerder geformuleerde kaders worden geforceerd.1 De Nederlandse indirecte-doorbraakrechtspraak is echter, net als in de Verenigde Staten en Duitsland, buitengewoon casuïstisch van aard.2 Het gaat altijd om vrij specifieke feitencomplexen. De overwegingen van de Hoge Raad zijn dan ook vaak toegespitst op de concrete omstandigheden van het voorliggende geval, zonder dat daarbij (te) algemene regels worden geformuleerd. Net als in de VS,3 geeft het hoogste rechtscollege niet zelden een ‘ongewogen waslijst’ van feiten en andere factoren die aan zijn oordeel ten grondslag liggen, zonder dat duidelijk is welke factoren van doorslaggevend belang zijn. Hoewel deze contextuele benadering de nodige onzekerheid laat over de aansprakelijkheidsrisico’s van aandeelhouders, wordt zij in de juridische literatuur hoofdzakelijk toegejuicht, nu daardoor recht kan worden gedaan aan alle relevante omstandigheden van het concrete geval.4