Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/3.3.4:3.3.4 Hoorplicht art. 165a Sv
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/3.3.4
3.3.4 Hoorplicht art. 165a Sv
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946130:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Stb. 1985, 115.
Zie in dit verband ook hoofdstuk 2, paragraaf 4.3 en hoofdstuk 3, paragraaf 2.2.3.
Zie bijvoorbeeld HR 1 oktober 1991, NJ 1992/231 en Rb. Groningen 2 november 2006, ECLI:NL:RBGRO:2006:AZ2009.
HR 27 juni 1995, NJ 1995/685 en Hof Amsterdam 5 september 2001, ECLI:NL:GHAMS:2001:AD3403.
HR 1 oktober 1991, NJ 1992/231.
Stb. 2002, 388 en Stb. 2002, 470. Zie hierover meer uitgebreid hoofdstuk 2, paragraaf 4.4.
Kamerstukken II 2000-2001, 27745, nr. 6, p. 17-18.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Aandacht verdient ook de sinds 1 april 1985 in art. 165a Sv gelegen hoorplicht.1 Dit wetsartikel schrijft voor dat in het geval een wettelijke vertegenwoordiger op grond van art. 65 lid 1 Sr een klacht indient namens een minderjarige van tenminste twaalf jaren oud of namens een onder curatele gestelde, het openbaar ministerie pas tot vervolging overgaat nadat de vertegenwoordigde persoon in de gelegenheid is gesteld zijn mening kenbaar te maken over de wenselijkheid van de vervolging, althans dat de vertegenwoordigde daartoe behoorlijk moet zijn opgeroepen. Dit hoeft niet te gebeuren indien de vertegenwoordigde niet in Nederland verblijft of indien dit met het oog op de lichamelijke of geestelijke gesteldheid van de vertegenwoordigde niet mogelijk of niet wenselijk wordt geacht.
De idee hierachter is dat juist bij klachtdelicten de beslissing van het openbaar ministerie om te vervolgen de persoonlijke levenssfeer van de minderjarige (of curandus) raakt en dat om die reden diens mening over de wenselijkheid van een vervolging – voor zover hij in staat en bereid is die te geven – gewicht in de schaal dient te leggen.2 Deze redengeving creëert echter de nodige onduidelijkheid. Het klachtrecht van de wettelijke vertegenwoordiger vindt zijn legitimatie immers in het gegeven dat de vertegenwoordigde zijn eigen belangen onvoldoende kan overzien en behartigen.3 Dit doet afbreuk aan de gedachte dat waarde moet worden gehecht aan een eventueel andersluidende mening van de vertegenwoordigde over de (on)wenselijkheid van de vervolging.4
De wet schrijft niet voor dat er gevolgen moeten worden verbonden aan een andersluidende mening van de vertegenwoordigde, maar dit laat onverlet dat de vertegenwoordigde op grond van dit artikel behoort te worden gehoord. Het achterwege laten daarvan kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging.5 In de praktijk wordt deze hoorplicht niet dermate formeel benaderd dat een oproep moet hebben plaatsgehad ten behoeve van het inwinnen van de mening van de vertegenwoordigde over de wenselijkheid van de vervolging. De gelegenheid tot het uiten van die mening kan bijvoorbeeld ook worden geboden in een politieverhoor.6 Het gaat er daarbij om dat de gelegenheid wordt geboden de mening te geven over de wenselijkheid van de vervolging van de dader. Dit is niet hetzelfde als het geven van een mening over de wenselijkheid van de strafbare feiten zelf.7
Het hoorrecht in art. 165a Sv dient nadrukkelijk te worden onderscheiden van het hoorrecht dat is vervat in 167a Sv en dat betrekking heeft op het horen van minderjarigen die slachtoffer zijn geworden van bepaalde zedenfeiten. Dit hoorrecht is op 1 oktober 2002 ingevoerd ter vervanging van het klachtrecht bij die feiten.8 Dit hoorrecht maakt – anders dan art. 165a Sv – dus geen onderdeel uit van de regeling van klachtdelicten. De inhoud en betekenis van beide bepalingen is evenmin hetzelfde. Zo moet ingevolge art. 165a Sr aan de vertegenwoordigde de gelegenheid worden geboden de mening te geven over ‘de wenselijkheid van de vervolging’, terwijl de wettekst van art. 167a Sv slechts voorschrijft dat de minderjarige de mening ‘over het gepleegde feit’ kenbaar moet kunnen maken. Ter toelichting op art. 167a Sv is expliciet vermeld dat niet is gekozen voor dezelfde wettekst als in art. 165a Sv. Volgens minister van Justitie Korthals zou dit ten onrechte de schijn kunnen wekken dat de minderjarige een doorslaggevende stem heeft bij de beslissing over het al dan niet vervolgen van de dader.9 Aan de betekenis van het in art. 167a Sv neergelegde hoorrecht – en hoe zich dit verhoudt tot het klachtrecht – wordt in hoofdstuk 4 afzonderlijk aandacht besteed.