Einde inhoudsopgave
Cessie (O&R nr. 70) 2012/VII.6.1.3.3
VII.6.1.3.3 Eigen opvatting
mr. M.H.E. Rongen, datum 01-10-2011
- Datum
01-10-2011
- Auteur
mr. M.H.E. Rongen
- JCDI
JCDI:ADS361231:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
Zie nr. 681.
Zie ook: Verhagen & Rongen 2000, p. 76.
Zo ook: Rb. Utrecht 3 februari 2010, JOR 2010/140, m.nt. Biemans (Kraamzorg/Fa-Med), r.o. 4.4: “dat de enkele verwijzing naar de bepaling inhoudende dat het debiteurenrisico van de vorderingen niet door Fa-Med is overgenomen, niet voldoende is om ervan uit te gaan dat het de bedoeling van partijen was om met de eigendomsoverdracht voor Fa-Med slechts een voorrangspositie te creëren ten opzichte van andere schuldeisers”. Vgl. Reehuis 2010, nr. 86.
Het is mogelijk (bv. in geval van factoring) dat de financier meer belangen heeft dan alleen een schuldeisersbelang. De financier kan bijvoorbeeld zijn belast met het debiteurenbeheer (administratie, bewaking, inning en incasso). De cessie hoeft dan niet in strijd te komen met art. 3:84 lid 3 (zie nrs. 693 en 734). Het is ook mogelijk dat de economische voor- en nadelen van de vorderingen tussen de cedent en de cessionaris worden verdeeld. Er is dan sprake van een hybride figuur. De cessie wordt mijns inziens in een dergelijk geval niet getroffen door art. 3:84 lid 3. De cessionaris heeft een gedeelte van het economisch belang bij de vorderingen verkregen, zodat hem meer recht is verschaft dan alleen maar een recht dat hem in zijn belangen als schuldeiser beschermt.
Zie § VII.3.4.
Zie § VII.3.4.1.
Uit (art. 7:47 jo) art. 7:10 BW volgt dat het risico van achteruitgaan, tenietgaan of waardevermindering voor rekening van de koper komt vanaf het moment van de aflevering (in geval van cessie te lezen als: “levering”). Indien deze risico’s voor rekening blijven van de verkoper/cedent, kan dat een aanwijzing zijn dat er geen sprake is van een koopovereenkomst, maar van verbruikleen (indien de koopprijs onmiddellijk wordt uitbetaald) of een overeenkomst van opdracht/lastgeving (indien de koopprijs eerst wordt betaald als de vordering is geïnd) of mogelijk zelfs van een gemengd contract (art. 6:215 BW). Een herkwalificatie van de overeenkomst als een overeenkomst van verbruikleen zal tevens met zich brengen dat de overdracht eerder als een overdracht ten titel van verhaal moet worden beschouwd. Zie hiervoor: nr. 707. Zie in verband met de kwalificatievraag ook: Van Wechem 1999, p. 195 en Van Boom 1998, p. 73-74. Zelfs indien men aanneemt dat de overeenkomst kan worden aangemerkt als een koopovereenkomst, staat dat niet aan toepasselijkheid van art. 3:84 lid 3 in de weg. Art. 3:84 lid 3 BW heeft het karakter van een strekkingsbepaling. Iedere rechtshandeling die er (uitsluitend) toe strekt de verkrijger van het goed te beschermen in zijn verhaalsbelangen, valt binnen het domein van art. 3:84 lid 3 BW. Vgl. in dit verband ook het Sogeleasearrest en het Bierbrouwerij-arrest (HR 19 mei 1995, NJ 1996, 119 en HR 25 januari 1929, NJ 1929, p. 616 e.v.) waaruit eveneens volgt dat de kwalificatie van de titel van de overdracht niet beslissend hoeft te zijn voor de vraag of er sprake is van een zekerheidsoverdracht. Zie voorts over art. 3:84 lid 3 en koop met beding van wederinkoop: TM, Parl. Gesch. Boek 7 (Inv. 3, 5 en 6), p. 15.
Zie nr. 712.
Ook bij geldleningen kan worden overeengekomen dat de opbrengsten van bepaalde in zekerheid gegeven activa in eerste instantie zullen worden aangewend voor de aflossing van de lening. Denk bijvoorbeeld aan een rekening-courantkrediet met verpanding van handelsvorderingen. Veelal zal de bank van de kredietnemer bedingen dat deze zijn schuldenaren instrueert om hun schulden te voldoen op de rekening waarin het krediet is verstrekt. Verder kan worden gedacht aan bepaalde vormen van projectfinanciering waarbij het krediet wordt terugbetaald met de opbrengsten van het gerealiseerde project. Zie Rongen 1996, p. 264 e.v. Het is bovendien mogelijk dat de terugbetalingsverplichting van de leningnemer is onderworpen aan een voorwaarde, zodat er van een onvoorwaardelijke verbintenis tot terugbetaling van de geleende geldsom geen sprake is. Zie HR 29 november 2002, NJ 2003, 50 (Helm/Aerts c.s.).
Na ontbinding van de ‘lease back’ kan de lessor in de regel weer vrijelijk over het lease-object beschikken. Er is dan geen sprake meer van fiduciaire eigendom, maar van volle eigendom, evenals dat bij eigendomsvoorbehoud het geval is nadat de verkoper de koop heeft ontbonden. De ‘sale’, die onaangetast blijft, heeft immers tot de overgang van de volle, niet-fiduciaire eigendom geleid.
Zie r.o. 3.4.3, slot.
Met uitzondering van de in § VII.6.1.2 besproken ‘cessie-retrocessie’ transactie.
Zie evenwel de uitzondering die ik in nr. 705 bepleit voor de zekerheidsoverdracht van vorderingen. Zie ook: § VII.6.1.4 en § VII.8.
716. Een vorderingenverkoop is mogelijk in strijd met art. 3:84 lid 3, indien de koper geen economisch belang aanvaardt, maar uitsluitend fiduciair rechthebbende is. Een wezenskenmerk van een overdracht ten titel van verhaal (of ruimer: zekerheidseigendom) is dat de verkrijger slechts fiduciair rechthebbende is van het aan hem overgedragen goed.1 Het economisch belang bij het goed rust volledig bij de zekerheidgever. Het enige belang dat de verkrijger bij het eigendomsrecht heeft, is dat hij daarin bescherming vindt tegen het risico dat hij schade lijdt doordat de zekerheidgever (de economisch eigenaar) zijn schulden niet nakomt.
Indien bij een financiering die is vormgegeven rondom een vorderingenverkoop de verkoper (gefinancierde) instaat voor de inbaarheid van de vorderingen, volgt daaruit nog niet dat de koper (financier) slechts fiduciair tot de vorderingen gerechtigd is. Het risico van niet-betaling is immers slechts een van de risico’s die zijn verbonden aan de “eigendom” van een vorderingsrecht. Daarnaast zijn er nog andere risico’s, zoals het risico van vervroegde betaling (i.e. een herbeleggingsrisico), het risico van vertraagde betaling, het risico van waardevermindering als gevolg van rentefluctuaties, inflatie- en koersrisico’s en het risico dat de schuldenaar bepaalde wilsrechten uitoefent die leiden tot een wijziging of het verval van de (inhoud van de) betalingsverplichting. Van een cessie ten titel van verhaal is dan ook zeker geen sprake, indien de koper (financier), behalve het risico van niet-betaling, alle overige risico’s overneemt en hem bovendien de economische voordelen van de vorderingen toekomen. Er is in dat geval geen wezenlijk verschil met de situatie waarin de koper (financier) het insolventierisico, al dan niet tegen een vergoeding, laat overnemen door een derde door middel van een borgtocht, kredietverzekering of kredietderivaat.2 Het enkele feit dat de verkoper instaat voor de inbaarheid van de vordering doet de overdracht dus inderdaad nog niet in strijd komen met art. 3:84 lid 3.3
Indien daarentegen uit de voorwaarden waaronder de vorderingenkoop is aangegaan volgt dat alle economische voor- en nadelen van de vorderingen voor rekening en risico blijven van de cedent, dan is de financier (cessionaris) in de regel slechts fiduciair gerechtigd tot de vorderingen. In dat geval moet de conclusie mogelijk zijn dat de cessie er enkel toe strekt de financier een recht te verschaffen dat hem in zijn schuldeisersbelangen beschermt, met als gevolg dat de cessie ongeldig is vanwege strijd met art. 3:84 lid 3.4 Dit is het geval, indien de het enige belang van de financier bij de vorderingen is dat hij de vorderingen kan innen teneinde de verstrekte financiering terug te verdienen, waarna een eventueel overschot toekomt aan de cedent. In dat geval is er sprake van een (verhulde) cessie ‘ten titel van verhaal’ of van een figuur die daarmee op een lijn te stellen is.
Naar mijn mening geldt dit ongeacht welke benadering van het Sogelease-arrest men voorstaat.5 Ook in de liberale, subjectieve benadering6 is het, mede gelet op de door de Hoge Raad geformuleerde “bijkomende omstandigheden” regel, maar zeer de vraag of er wel sprake kan zijn van een “werkelijke overdracht” als het enige belang van de financier bij de vorderingen is, dat hij deze kan innen teneinde de verstrekte financiering ook in geval van insolventie van de kredietnemer/cedent terug te verdienen. Betekent dat niet dat het belang van de financier (de facto) is beperkt tot een verhaalsbelang, zodat er sprake is van een als “koop” vermomde cessie ten titel van verhaal?
Overigens zij opgemerkt dat als de koper geen economisch belang bij de vorderingen aanvaardt, de titel van de cessie vermoedelijk in veel gevallen niet als een koopovereenkomst kan worden gekwalificeerd. De kwalificatie “koop” veronderstelt immers dat de koper in enig opzicht het economisch belang bij de vorderingen verkrijgt.7 Is dat niet het geval dan ligt bij een financieringstransactie de kwalificatie geldlening met zekerheidsoverdracht meer voor de hand. Het kan blijken dat bij partijen de bedoeling voorop staat om een geldsom ter beschikking te stellen die op termijn met een vergoeding voor het genot moet worden terugbetaald.
717. Nadere beschouwing. Het feit dat de vorderingen in veel van de hiervoor genoemde constructies8 in eerste instantie als de bron van de betalingen aan de financier zullen dienen, zodat er op de verkoper/cedent niet van meet af aan een onvoorwaardelijk verbintenis rust om de door de financier (koper/cessionaris)gepleegde investering terug te betalen en de gelijkenis met een geldlening en een verhaalsrecht derhalve op het eerste gezicht ontbreekt, doet naar mijn mening aan het voorgaande, mede gelet op de “bijkomende omstandigheden” regel van het Sogelease-arrest, niet af.9 Daartegen kan worden ingebracht dat ‘eigendom ten titel van verhaal’ functioneert als een verhaalsrecht en dat een wezenskenmerk van een verhaalsrecht is dat het pas kan worden uitgeoefend nadat de schuldenaar in verzuim verkeert ten aanzien van de gesecureerde verbintenis. In het merendeel van de hiervoor geschetste constructies is strikt genomen naar de uiterlijke vorm van een verhaalsrecht geen sprake. De opbrengsten van de vorderingen komen de financier (koper) al toe nog voordat de “zekerheidgever” (verkoper) in verzuim verkeert ten aanzien van enige betalingsverplichting. Men zou kunnen betogen dat in de hiervoor genoemde constructies weliswaar sprake kan zijn van een fiduciaire overdracht, maar niet van een fiduciaire overdracht ten titel van verhaal, zodat de overdracht niet in strijd is met art. 3:84 lid 3.
Steun voor deze opvatting zou gevonden kunnen worden in het Sogelease-arrest. Ook in geval van een ‘sale and financial lease back’ is het eindresultaat van de transactie dat de verkrijger (de lessor) een uitsluitend fiduciair recht heeft dat volgens de Hoge Raad echter niet als een verhaalrecht kan worden aangemerkt.10 Daar staat tegenover dat de Hoge Raad de geldigheid van de overdracht ter zake van een ‘sale and financial lease back’ voornamelijk lijkt te stoelen op de gedachte dat de overdracht ertoe strekt de verkrijger (de lessor) in een door de wet erkende rechtspositie te brengen, zoals blijkt uit de regeling van het eigendomsvoorbehoud en de huurkoop.11 Dit kan niet zonder meer worden gezegd van het merendeel van de hiervoor genoemde constructies.12 Een vergelijking met Sogelease lijkt in dit opzicht dan ook mank te gaan.
Bovendien staat de hier besproken uitleg op gespannen voet met het karakter van art. 3:84 lid 3 als strekkingsbepaling en met de ratio van de bepaling die erop is gericht een ontduiking van de wettelijke regeling van pand en hypotheek tegen te gaan. De pand- en hypotheekregels strekken mede tot bescherming van de zekerheidgever en diens overige concurrente schuldeisers en zijn om die reden van dwingend recht. Deze bescherming dient zich naar mijn mening in beginsel ook uit te strekken tot financieringsconstructies waarin de fiduciair aan de financier overgedragen goederen niet alleen dienen als vorm van zekerheid, maar ook als de bron van inkomsten voor de “inlossing” van de verschafte financiering en wel ongeacht of de titel van de overdracht een overeenkomst van geldlening, een koop of iets anders is.13 Feit blijft dat met de overdracht enkel het schuldeisersbelang van de verkrijger is gediend. Er is dan ook alle reden om de hier bedoelde figuur op een lijn te stellen met een “zuivere” overdracht ten titel van verhaal. Daarbij komt dat als de vorderingenkoop inderdaad moet worden geherkwalificeerd als een geldlening (zie hiervoor), ook de kwalificatie ‘cessie ten titel van verhaal’ meer voor de hand ligt.