Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/6.6.12
6.6.12 Hof 's-Gravenhage 22 februari 2006, NIPR 2006, 103
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS430545:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Verder voert de vrouw de volgende naar mijn mening minder relevante punten aan:- het kind staat onder behandeling van een kinderpsycholoog vanwege de perikelen rondom de echtscheiding;- de man heeft zonder gevolgen meldingen gedaan van kindermishandeling bij o.a. de Raad voor de Kinderbescherming, hetgeen ertoe leidt dat het kind door de man wordt belast met onderzoekers en inbreuken op haar rustige leven;- de man is behept met een geestelijke aandoening waardoor hij arbeidsongeschikt is;- de man schrijft het kind dagelijks belastende brieven, welke de vrouw op advies van de kinderpsycholoog niet aan het kind verstrekt.
In Hof ' s-Gravenhage 22 februari 2006, NIPR 2006, 103, kwam de kwestie van verwijzing op grond van art. 15 Vo-BIIbis uitvoerig aan de orde. Het gaat in deze zaak om een verzoek van de vrouw gericht aan de Nederlandse rechter om op zijn beurt de Franse rechter te verzoeken om de in Frankrijk lopende kort geding procedure over hoofdzakelijk de hoofdverblijfplaats van het minderjarige Nederlandse kind van partijen op basis van art. 15 lid 1 jo. lid 2 sub c Vo-BIIbis over te hevelen naar Nederland. De vrouw heeft op 16 november 2005 bij de Rb. ' s-Gravenhage een verzoek tot echtscheiding met bijbehorende nevenvoorzieningen en voorlopige voorzieningen ingediend. Eerder heeft de man in Frankrijk een kort geding aanhangig gemaakt waarin hoofdzakelijk verzocht is de hoofdverblijfplaats van het kind bij hem te bepalen. De Tribunal de Grande Instance te Guéret heeft dat verzoek afgewezen, tegen welke afwijzing de man in hoger beroep is gekomen bij de Cour d'Appel te Limoges. In december 2005 heeft de man een echtscheidingsverzoek bij de rechter te Versailles ingediend.
Op 21 december 2005 heeft de vrouw bij het Hof ' s-Gravenhage een 'verzoek wijziging van behandelplaats zaak' ingediend. Hierin vraagt de vrouw aan het Hof ' s-Gravenhage om de Cour d 'Appel te Limoges te verzoeken de behandeling van het hoger beroep tegen de beslissing van de Tribunal de Grande Instance aan het hof over te dragen conform het bepaalde in art. 15 lid 1 jo. lid 2 sub c en lid 3 Vo-BIIbis. De vrouw acht het in het belang van de minderjarige dat de Nederlandse rechter de behandeling van de Franse kort geding procedure overneemt, en voert hiertoe onder meer de volgende punten aan:
bij behandeling van de zaak in Frankrijk zal het kind opnieuw in het bijzijn van de ouders worden gehoord, terwijl het kind door de Nederlandse rechter buiten de aanwezigheid van de ouder zal worden gehoord, hetgeen in het belang van het kind is;
de zitting in hoger beroep in Frankrijk is op 13 maart 2006. Tot die tijd is de vrouw verplicht om medewerking te verlenen aan de omgangsregeling, terwijl de vrouw van mening is dat de omgang niet in het belang van het kind is. Zij wordt in deze gesteund door de kinderpsycholoog;
voor de vrouw en het kind is het wenselijk dat de procedure wordt gevoerd in een taal die zij het beste kunnen begrijpen.1
De man stelt dat er geen enkele reden is om de behandelplaats van de procedure te wijzigen. Het belang van het kind zou daarbij niet zijn gediend, te meer nu de behandeling van de zaak in Frankrijk nagenoeg is afgerond. Het is in strijd met de regels van de goede procesorde als de behandelplaats in een zo laat stadium van de procedure nog zou worden gewijzigd; het kort geding karakter van de Franse procedure leent zich niet voor wijziging van de behandelplaats (het spoedeisend karakter zou doorbroken worden). Voorts wijst de man erop dat het Franse rapport enquête sociale van de Association Éducative Creusoise de la Jeunesse et de la Famille (ten behoeve van de Juge aux affaires familiales van de Tribunal de Grande Instance te Guéret) inmiddels is afgerond en dat de Franse rechter dit onderzoek niet zou hebben laten doen indien hij van mening was dat de Nederlandse rechter zich in een betere positie bevindt om de belangen van het kind te behartigen.
Volgens de man moet de vrouw in haar verzoek niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat het verzoek volgens hem op grond van art. 15 lid 2 Vo-BIIbis bij de Franse rechter ingediend had moeten worden. Dit standpunt is niet juist. Het Hof ' s-Gravenhage merkt terecht op dat art. 15 lid 1 jo. lid 2 sub c Vo-BIIbis de mogelijkheid geeft dat de Nederlandse rechter een verzoek tot verwijzing van de zaak instelt bij de Franse rechter bij wie de zaak aanhangig is. Art. 15 maakt geen onderscheid tussen een kort geding procedure en een gewone procedure, zodat de vrouw in haar verzoek ontvankelijk is. Desondanks wijst het hof het 'verzoek wijziging van behandelplaats zaak' af, omdat het belang van het kind daarbij niet is gediend. Het hof overweegt als volgt:
`Bij de beoordeling van het verzoek van de vrouw is doorslaggevend of sprake is van een bijzondere band van het kind met Nederland waardoor de rechter aldaar beter in staat is dan de rechter te Limoges om de zaak in het belang van het kind te behandelen. Naar het oordeel van het hof is dat niet het geval. De behandeling in hoger beroep in kort geding door de Cour d'Appel te Limoges betreft — ook naar Frans recht — een ordemaatregel en niet een geschil tussen partijen ten gronde. Bovendien is de rapport enquête sociale van de Association Éducative Creusoise de la Jeunesse et de la Famille van 25 mei 2005 opgemaakt ten behoeve van de Juge aux affaires familiales van de Tribunal de Grande Instance te Guéret inmiddels gereed en staat dat ter beschikking van partijen en de Cour d'Appel. De procedure te Limoges is voorts in zo'n vergevorderd stadium dat een verzoek van het hof tot verwijzing niet anders dan vertragend kan werken in de voortgang van die procedure. Een en ander is niet in het belang van het kind. De door de vrouw aangevoerde gronden maken dat niet anders. Daarbij zij nog aangetekend dat de Franse taal — blijkens de meergenoemde rapport enquête sociale — voor [kind] geen onoverkomelijke problemen zal opleveren.'
Het Hof ' s-Gravenhage wijst het forum non conveniens-verzoek van de vrouw mijns inziens op juiste gronden af. Voorts merkt het hof op dat de vrouw deze procedure aanhangig heeft gemaakt teneinde te bewerkstelligen dat dit hof de Cour d'Appel te Limoges zou verzoeken de bij dat gerecht aanhangige zaak te verwijzen naar dit hof. Volgens het hof 'zou het evenwel juister zijn geweest indien zij dit verzoek rechtstreeks tot de Cour d'appel te Limoges zou hebben gericht in het kader van de aldaar lopende procedure. De (om)weg die de vrouw thans heeft gekozen brengt voor de man extra kosten met zich mee'. Het hof acht het dan ook gerechtvaardigd dat de vrouw wordt veroordeeld in de proceskosten.