Het algemene opschortingsrecht
Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/5.5:5.5 Samenvatting en tussenconclusie
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/5.5
5.5 Samenvatting en tussenconclusie
Documentgegevens:
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950294:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Als aan de vereisten van het algemene opschortingsrecht is voldaan, is de schuldenaar opschortingsbevoegd en heeft hij een opschortingsrecht op grond van artikel 6:52 lid 1 BW. De schuldenaar kan van dat recht gebruikmaken door het uit te oefenen. Om de rechtsgevolgen van het algemene opschortingsrecht te doen intreden, zal de uitoefening daarvan kenbaar moeten zijn aan de wederpartij. Daarom zal de schuldenaar aan zijn wederpartij moeten meedelen dat hij zijn opeisbare verbintenis niet nakomt. Deze verklaring moet zijn wederpartij hebben bereikt. Een uitdrukkelijke opschortingsverklaring is evenwel niet vereist als de wederpartij begrijpt of kon begrijpen waarom de nakoming van haar schuldenaar uitblijft. Of dat zo is, hangt af van de omstandigheden van het geval, waaronder in het bijzonder hetgeen de wederpartij ten tijde van de opschorting wist of uit de toen bestaande omstandigheden had behoren te begrijpen en wat de schuldenaar toen met betrekking tot die wetenschap of dit begrijpen mocht aannemen. Tevens is de schuldenaar gehouden de door hem gepretendeerde vordering op zijn wederpartij zo nodig toe te lichten, omdat het opschortingsrecht zijn grondslag vindt in die vordering en hij daarvan de stelplicht heeft en de bewijslast draagt. Tevens stelt hij zijn wederpartij daarmee in staat de gegrondheid van zijn vordering te onderzoeken.