Einde inhoudsopgave
Conversie en aandelen (VDHI nr. 149) 2018/14.3.2
14.3.2 Artikelsgewijze behandeling
mr. P.H.N. Quist, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. P.H.N. Quist
- JCDI
JCDI:ADS367010:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie Van Dongen & Schuijling 2015, SDU commentaar vermogensrecht, artikel 6:127 BW, aant. C2.
Van Zeben & Du Pon 1981b/Art. 6.1.10.14 (T.M.) en Art. 6.1.10.14 (M.v.A. II); anders Faber 2005, nr. 144.
Zie uitgebreid over deze vereisten Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II 2013/224-228.
HR 28 mei 1993, NJ 1994/435, m.nt. H.J. Snijders (Nieuwkoop/Ontvanger).
Zie artikel 3:332 BW. Ook: Asser/Sieburgh 6-I 2016/73.
Zie hierover bijvoorbeeld Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II 2013/239.
Zie Van Dongen & Schuijling 2015, SDU commentaar vermogensrecht, artikel 6:131 BW, aant. C1 en Faber 2005 nr. 171.
Zie nader Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II 2013/241.
Zie nader Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II 2013/245 en Faber 2005, nr. 106.
Van Zeben & Du Pon 1981a, p. 132.
Van Zeben & Du Pon 1981b/Art. 6.1.10.15 (T.M.).
Zie nader Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II 2013/250-254 en Faber 2005, nr. 185.
Artikel 6:127 lid 1 BW bepaalt dat wanneer een schuldenaar die de bevoegdheid tot verrekening heeft, aan zijn schuldeiser verklaart dat hij zijn schuld met een vordering verrekent, beide verbintenissen tot hun gemeenschappelijk beloop tenietgaan. Dit lid stelt aldus een formeel vereiste aan verrekening door te bepalen dat verrekening plaatsvindt door een verklaring van een tot verrekening bevoegde schuldenaar die aan zijn schuldeiser is gericht. De verrekeningsverklaring is in beginsel vormvrij. De verklaring krijgt werking zodra zij de schuldeiser heeft bereikt.1 Een verrekeningsverklaring kan onder opschortende voorwaarde of tijdsbepaling worden uitgebracht. Een verrekeningsverklaring onder ontbindende voorwaarde wordt door de meeste schrijvers geacht naar zijn aard niet toelaatbaar te zijn.2 Ik begrijp dat het in praktische zin complicerend kan zijn dat door het uitbrengen van een verrekeningsverklaring onder ontbindende voorwaarde een verrekening achteraf, na vervulling van de ontbindende voorwaarde, wordt teruggedraaid (zij het per het moment van de vervulling van de voorwaarde). Principieel lijkt mij hier evenmin iets op tegen als tegen het verrichten van andere rechtshandelingen onder ontbindende voorwaarde.
Ingevolge artikel 6:127 lid 2 BW heeft een schuldenaar de bevoegdheid tot verrekening wanneer hij een prestatie te vorderen heeft die beantwoordt aan zijn schuld jegens dezelfde wederpartij en hij bevoegd is zowel tot betaling van de schuld als tot het afdwingen van de betaling van de vordering. Lid 3 van dit artikel sluit de bevoegdheid tot verrekening uit ten aanzien van een vordering en een schuld die in van elkaar gescheiden vermogens vallen. Artikel 6:127 leden 2 en 3 BW geven de materiële vereisten voor de bevoegdheid tot verrekening.3 Deze vereisten zijn cumulatief: (i) er moet sprake zijn wederkerigheid; de bij de verrekening betrokken partijen moeten over en weer in juridische zin elkaars schuldenaar zijn; en (ii) de vorderingen dienen gelijksoortig te zijn waarmee wordt bedoeld dat de schuldenaar die zich op verrekening beroept, een prestatie te vorderen moet hebben die beantwoordt aan zijn schuld. Overigens is de bevoegdheid tot verrekening een relatieve: voldoende is dat alleen ten aanzien van de partij die zich op verrekening beroept aan de vereisten wordt voldaan. Niet is dus vereist dat partijen over en weer tot verrekening bevoegd zijn. Voor de beoordeling van de gelijksoortigheid van verbintenissen is overigens niet van belang uit welke bron de te verrekenen verbintenissen voortvloeien, wat de rechtsgrond van de verbintenissen is of wat de aard is van de rechtsverhouding waaruit de verbintenissen voortvloeien.4 Geldvorderingen over en weer zijn gelijksoortige vorderingen en komen aldus in beginsel voor verrekening in aanmerking.
Artikel 6:129 BW bepaalt dat de verrekening terugwerkt tot het tijdstip waarop de bevoegdheid tot verrekening is ontstaan. Ingevolge lid 2 werkt, indien over één van de vorderingen of over beide reeds opeisbare rente is betaald, de verrekening niet verder terug dan tot het einde van de laatste termijn waarover rente is voldaan. Lid 3 geeft een regeling voor de bepaling van de valutadatum in het geval de vorderingen in verschillende valuta zijn: indien voor de bepaling van de werking van een verrekening bij geldschulden een koersberekening nodig is, geschiedt deze volgens dezelfde maatstaven als wanneer op de dag van de verrekening wederzijdse betaling had plaatsgevonden.5
Ingevolge artikel 6:131 lid 1 BW eindigt de bevoegdheid tot verrekening niet door verjaring van de rechtsvordering. Op grond van lid 2 van dit artikel staat uitstel van betaling of van executie bij wijze van gunst door de schuldeiser verleend, niet aan verrekening door de schuldeiser in de weg. Dit artikel bepaalt dus dat kan worden verrekend ondanks het feit dat niet is voldaan aan de in artikel 6:127 BW genoemde eis van afdwingbaarheid van de vordering van de partij die zich op verrekening beroept. Dit kan in het geval waarin de rechtsvordering is verjaard, in geval van uitstel van betaling of van executie dat bij wijze van gunst door de schuldeiser aan de schuldenaar is verleend. Door verjaring eindigt de afdwingbaarheid van de vordering van een partij die zich op verrekening beroept en resteert slechts een natuurlijke verbintenis. Overigens eindigt een vordering niet door het verstrijken van de verjaringstermijn alleen. Op verjaring dient een beroep te worden gedaan.6
Artikel 6:132 BW bepaalt dat indien een verrekeningsverklaring wordt uitgebracht door een daartoe bevoegde, niettemin de wederpartij die grond had nakoming van haar verbintenis te weigeren, aan de verrekeningsverklaring haar werking kan ontnemen door op de weigeringsgrond een beroep te doen. Dit dient zij onverwijld te doen nadat die verklaring werd uitgebracht en zij tot dit beroep in staat was. Door op een weigeringsgrond beroep te doen, verliest de verrekeningsverklaring met terugwerkende kracht haar werking. Achteraf bezien is er dan nooit van verrekening sprake geweest. De ratio van de regel is dat een wederpartij die nakoming van haar schuld had kunnen weigeren, niet zonder meer door een geslaagd beroep op verrekening tot voldoening van haar schuld moet kunnen worden gedwongen.7
Artikel 6:133 BW geeft de wederpartij aan wie de verrekeningsverklaring is gericht, maar die zelf een mogelijkheid had verrekening in te roepen die verder zou terugwerken, de mogelijkheid om na ontvangst van de verrekeningsverklaring aan die verklaring haar werking te ontnemen door alsnog onverwijld gebruik te maken van een eigen bevoegdheid tot verrekening. Indien dus beide partijen over en weer bevoegd zijn tot verrekening, maar hun verrekeningsbevoegdheid op verschillende tijdstippen is ontstaan, werkt de verrekening ingevolge artikel 6:129 BW terug tot het moment waarop de verrekeningsbevoegdheid is ontstaan van de eerste partij die zich op verrekening beroept. Vanaf dat moment is in beginsel geen rente meer verschuldigd en kan evenmin verzuim intreden. Als echter de andere partij reeds eerder bevoegd zou zijn geweest om tot verrekening over te gaan, kan dit tot gevolg hebben dat deze andere partij over de tussenliggende periode rente is verschuldigd, dan wel zich geconfronteerd ziet met een ongunstige wijze van toerekening in de zin van artikel 6:137 BW. Dit kan zij voorkomen door gebruik te maken van haar eigen eerder ontstane bevoegdheid tot verrekening. Als gevolg daarvan wordt de ene verrekening vervangen door de andere.8
Artikel 6:134 BW geeft de schuldenaar uit een wederkerige overeenkomst die tot verrekening bevoegd is, de mogelijkheid om aan de verklaring van zijn wederpartij, strekkende tot ontbinding van de overeenkomst wegens niet-nakoming, haar werking te ontnemen door onverwijld van zijn bevoegdheid tot verrekening gebruik te maken. Op die manier kan de schuldenaar ontkomen aan de gevolgen van een ontbinding. De strekking van de regel is dat een schuldenaar die de bevoegdheid tot verrekening heeft, maar wacht met een beroep daarop, niet moet kunnen worden overvallen door een ontbindingsverklaring van zijn wederpartij. Wel dient de schuldenaar dan onverwijld van zijn bevoegdheid tot verrekening gebruik te maken. Verrekening is een vorm van betaling en daarmee van nakoming. Door onverwijlde betaling bij wijze van verrekening komt de schuldenaar alsnog na en heeft de verklaring van zijn wederpartij tot ontbinding geen effect.9
Artikel 6:135 BW sluit de mogelijkheid tot verrekening in bepaalde gevallen uit. Een schuldenaar is niet bevoegd tot verrekening: (a) voor zover beslag op de vordering van de wederpartij niet geldig zou zijn of (b) indien zijn verplichting strekt tot vergoeding van schade die hij opzettelijk heeft toegebracht. De ratio van een beslagverbod is daarin gelegen dat het effect van het beslagverbod door de schuldenaar niet op een andere wijze mag worden tenietgedaan. Wettelijke beslagverboden volgen onder meer uit de artikelen 475a-475g Rv. Op grond van deze bepalingen kan bijvoorbeeld geen beslag worden gelegd op loonvorderingen. Het verbod door verrekening met verplichting tot vergoeding van schade die een schuldenaar opzettelijk heeft toegebracht wordt beoogd eigenrichting te voorkomen. Een schuldeiser die zich met een in betaling tekortschietende wederpartij geconfronteerd ziet zou schade kunnen toebrengen aan goederen van de wederpartij (of aan de wederpartij zelf) om de daaruit voor hem voortvloeiende betalingsverplichting te verrekenen met zijn vordering.10
Artikel 6:137 lid 1 BW regelt de volgorde van de verbintenissen die verrekend worden. Voor zover een verrekeningsverklaring onvoldoende aangeeft welke verbintenissen in de verrekening zijn betrokken, geldt de volgorde van toerekening, aangegeven in de artikelen 6:43 lid 2 BW en 6:44 lid 1 BW. In laatstgemeld artikellid is bepaald dat betaling van een op een bepaalde verbintenis toe te rekenen geldsom in eerste plaats strekt in mindering op de kosten, vervolgens in mindering op de verschenen rente en ten slotte in mindering op de hoofdsom en de lopende rente. Artikel 6:43 lid 2 BW geeft een regeling voor het geval dat betalingen door de schuldenaar zouden kunnen worden toegerekend op twee of meer verbintenissen jegens dezelfde schuldeiser. In de eerste plaats worden betalingen toegerekend aan de opeisbare verbintenissen. Zijn er ook dan nog meer verbintenissen waarop de toerekening zou kunnen plaatsvinden, dan geschiedt deze in de eerste plaats op de meest bezwarende en zijn de verbintenissen even bezwarend, dan op de oudste. Zijn de verbintenissen bovendien even oud, dan geschiedt de toerekening naar evenredigheid. Artikel 6:137 lid 2 BW geeft de wederpartij van degene die heeft verklaard te verrekenen, in bepaalde gevallen de mogelijkheid om door een onverwijld protest aan die verklaring haar werking te ontnemen. Dit is mogelijk indien de toerekening op de verschuldigde hoofdsom, kosten en de met inachtneming van artikel 6:129 BW te berekenen rente, in deze verklaring in een andere volgorde is geschied dan die van artikel 6:44 lid 1 BW. Deze bepaling geeft de schuldenaar die met een verrekeningsverklaring wordt geconfronteerd waarbij van een andere volgorde dan de wettelijke wordt uitgegaan daar onverwijld protest tegen aan te tekenen. Onverwijld betekent dat, rekening houdend met de omstandigheden van het geval, zonder vertraging moet worden geprotesteerd.11 Een succesvol protest leidt niet alleen tot een aantasting van de wijze van toerekenen, maar heeft tot gevolg dat de verrekening zelf vervalt. De partij die een verrekeningsverklaring had uitgebracht kan dit desgewenst nogmaals doen.12
Artikel 6:140 BW geeft een regeling voor de gevallen waarin sprake is van een rekening-courantverhouding. Een belangrijk rechtsgevolg van een rekening-courantverhouding is dat verrekening doorlopend en van rechtswege plaatsvindt. Indien tussen twee partijen krachtens wet, gewoonte of rechtshandeling geldvorderingen en geldschulden in één rekening moeten worden opgenomen, dan worden zij in de volgorde waarin partijen volgens de wettelijke regeling ten aanzien van verrekening of krachtens hun onderlinge rechtsverhouding tot verrekening bevoegd worden, dadelijk van rechtswege verrekend en is op ieder tijdstip alleen het saldo verschuldigd. Artikel 6:137 BW is dan niet van toepassing. Lid 2 schrijft voor dat de partij die de rekening bijhoudt, deze jaarlijks afsluit en het op dat tijdstip verschuldigde saldo mededeelt aan de wederpartij met opgave van de aan deze nog niet eerder medegedeelde posten waaruit het is samengesteld. Lid 3 geeft als regel dat indien de wederpartij niet binnen redelijke tijd tegen het ingevolge het vorige lid medegedeelde saldo protesteert, dit geldt als tussen partijen vastgesteld. Lid 4 bepaalt dat na vaststelling van het saldo ten aanzien van de afzonderlijke posten geen beroep meer kan worden gedaan op het intreden van verjaring of op het verstrijken van een vervaltermijn. De rechtsvordering tot betaling van het saldo verjaart door verloop van vijf jaren na de dag, volgende op die waarop de rekening is geëindigd en het saldo opeisbaar is geworden. Lid 5 geeft de mogelijkheid dat uit de tussen partijen bestaande rechtsverhouding anders kan voortvloeien dan in de vorige leden van dit artikel is bepaald.13
Artikel 6:141 BW verklaart in het geval een verbintenis geheel of gedeeltelijk door verrekening tenietgaat, de leden 1 en 2 van artikel 6:48 BW van overeenkomstige toepassing. Artikel 6:48 lid 1 BW bepaalt dat de schuldeiser verplicht is voor iedere voldoening een kwitantie af te geven, tenzij uit de overeenkomst, gewoonte of billijkheid anders voortvloeit. Lid 2 schrijft voor dat indien de schuldeiser een ter zake van de schuld afgegeven bewijsstuk heeft, de schuldenaar bij voldoening bovendien de afgifte van dat bewijsstuk kan vorderen, tenzij de schuldeiser een redelijk belang heeft bij behoud van het stuk en daarop de nodige aantekening tot bewijs van de bevrijding van de schuldenaar stelt.