Einde inhoudsopgave
De positie van aandeelhouders in beursvennootschappen (IVOR nr. 103) 2017/2.3.2
2.3.2 Nieuwe interpretatie van artikel 47 WvK
F.G.K. Overkleeft, datum 28-05-2017
- Datum
28-05-2017
- Auteur
F.G.K. Overkleeft
- JCDI
JCDI:ADS383372:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Van der Grinten 1953, p. 97. Tijdens de behandeling van het preadvies van Van der Grinten merkte Sanders ook nog op dat de wetgever bij de regeling van de N.V. in 1928 speciaal de besloten N.V. voor ogen had gestaan. Zie de Handelingen van de Nederlandse Juristen Vereniging, voordracht P. Sanders, tweede zitting van zaterdag 27 juni 1953, Zwolle: Tjeenk Willink 1953, p. 159.
Van der Grinten 1953, p. 99.
Handelingen NJV 1953, p. 193 (vraagpunt 1).
Handboek Van der Grinten 1946, nr. 233. Van der Grinten beriep zich ter onderbouwing voorts op de opvattingen van het Departement, dat volgens hem bezwaar zou maken tegen statutaire beperking van de bestuursbevoegdheid tot enkel de gewone dagelijkse bedrijfsuitoefening..
Handboek Van der Grinten 1946, nr. 42.
Ibid, nr. 43.
Ibid nr. 49.
Ibid, nr. 202.
Ibid, nr. 237.
De beschouwingen van Van der Grinten en Zeylemaker maken duidelijk dat er zich onder het dak van de rechtsvorm N.V. uiteenlopende diersoorten bevonden, met als uitersten enerzijds de grote publieke N.V. waarvan de aandelen aan de beurs werden verhandeld en anderzijds de besloten familievennootschap waarin vanuit kleine kring met eigen middelen een onderneming werd gedreven en waarin de vennoten veelal als mede-ondernemers optraden. De vraag voor welke van deze verschillende vormen van ondernemingen de rechtsvorm van de N.V. primair was bedoeld, kwam in de preadviezen van de NJV van 1953 indirect aan de orde in het debat over de vraag of voor de besloten vennootschappen een aparte wettelijke regeling nodig was. Van der Grinten schreef hierover: “Ons geldend N.V.-recht houdt geen bepalingen in, die voor de besloten vennootschap beter ongeschreven hadden kunnen blijven. Aan een bevredigende inrichting van de besloten vennootschap staat ons N.V.-recht niet in de weg. Wellicht mag men zelfs poneren, dat ons N.V.-recht veelmeer is ingesteld op de besloten dan op de open vennootschap.”1 Wel merkte hij nog op: “Voor een eigen rechtsvorm zal echter slechts dan aanleiding bestaan, indien men voor de open N.V. een regeling wil, die in belangrijke mate afwijkt van hetgeen voor de besloten vennootschap als richtig recht kan worden aangemerkt.”2 Voor Van der Grinten was de wettelijke regeling van de N.V. dus bedoeld voor besloten vennootschappen en niet zozeer voor publieke N.V.’s. Uit het feit dat de vergadering van de NJV de vraag naar de wenselijkheid voor een eigen rechtsvorm voor besloten vennootschappen met algemene stemmen verwierp3 mag worden opgemaakt dat deze opvatting kennelijk breed werd gedeeld.
Dat de N.V. als de geëigende rechtsvorm voor besloten vennootschappen werd beschouwd, stond er niet aan in de weg dat zij in de rechtsontwikkeling op bepaalde onderdelen gaandeweg een meer open karakter kreeg. De eerste sporen waren reeds zichtbaar in de eerste door Van der Grinten bewerkte druk van het Handboek uit 1946. Zo nam Van der Grinten afstand van het standpunt van Van der Heijden dat de zelfstandige bestuursmacht van artikel 47 WvK zich alleen zou uitstrekken tot zaken die tot de gewone dagelijkse bedrijfsuitoefening werden geacht te behoren. Van der Grinten merkte hierover op: “Deze opvatting is bij de huidige ontwikkeling van het vennootschapswezen moeilijk te verdedigen. Zij zou beteekenen, dat voor aankoop van een nieuwe fabriek, voor vestiging van een buitenlandsch kantoor, voor verkoop van een onroerend goed door een N.V. die zich niet bezighoudt met exploitatie van onroerende goederen, een besluit van de algemeene aandeelhoudersvergadering vereischt is. Zulks is in strijd met hetgeen in de practijk geschiedt. Zeker in de publieke N.V. pleegt het bestuur dergelijke handelingen op eigen gezag te verrichten.”4 Deze wijziging in rechtsopvatting betekende dat de zelfstandige bestuursbevoegdheid van het bestuur onder artikel 47 WvK werd geacht te zijn uitgebreid, wat per definitie tevens inhield dat de restbevoegdheid van de AVA onder artikel 43 WvK in gelijke mate zou zijn afgenomen. Opmerkelijk is dat Van der Grinten hier geen onderscheid maakte tussen de besloten N.V. en de publieke N.V.. Hij signaleerde weliswaar dat de praktijk in ieder geval bij de publieke N.V. al zodanig was ontwikkeld dat de bevoegdheid tot het zelfstandig verrichten van bestuurshandelingen niet slechts tot de gewone dagelijkse bedrijfsuitoefening was beperkt, maar de wijziging in opvatting van Van der Grinten strekte zich kennelijk ook uit tot besloten vennootschappen. Op dit punt signaleerde Van der Grinten dus een zekere verwijdering tussen bestuur en AVA in de N.V., ook bij besloten vennootschappen.
Van der Grinten hield wel vast aan de conceptuele visie van Van der Heijden op de N.V. als bijzondere uitwerking van de maatschap. Van der Heijden’s kwalificaties van de N.V. als een contractuele rechtsbetrekking5 en een vorm van vereniging6 en zijn functionele benadering van de eigenschap van rechtspersoonlijkheid als instrument van vermogensrechtelijke ordening om de gezamenlijke aandeelhouders op bijzondere wijze aan het rechtsverkeer te laten deelnemen7 werden door Van der Grinten onverkort gehandhaafd. Ook hield Van der Grinten ondanks zijn afwijkende opvatting over de reikwijdte van de bestuursmacht van artikel 47 WvK vast aan Van der Heijden’s algemene stelling dat de hoogste macht in de N.V. bij de gezamenlijke aandeelhouders berustte.8 Hij ging zelfs nog een stap verder. In het kennelijke verlengde van de ‘hoogste macht’-gedachte stelde Van der Grinten zich op het standpunt dat de AVA de bestuursmacht kon beperken door het geven van een expliciete instructie: “Beperkingen in dier voege, dat den bestuurder wordt opgedragen een bepaalde handeling te stellen of na te laten, zijn naar onze meening wel toelaatbaar. Op de beheers- en bestuursmacht van den bestuurder wordt hiermede geen inbreuk gemaakt.”9
Kennelijk zocht Van der Grinten naar een nieuw evenwicht tussen bestuur en AVA in de N.V.. Daarbij leek hij toch vooral vast te houden aan de grondgedachte van Van der Heijden waarin de N.V. vooral als een instrument in dienst van haar vennoten/aandeelhouders werd gezien. Waar bij Van der Heijden de bevoegdheid van het bestuur een wezenlijke afbakening vond in de beperking tot slechts de dagelijkse bedrijfsvoering, strekte deze bevoegdheid in de visie van Van der Grinten zich ook uit tot aangelegenheden die eerder werden geacht tot de bevoegdheid van de gezamenlijke vennoten te behoren. Als tegenhanger voor deze ruimere bestuursbevoegdheid had het bestuur in de visie van Van der Grinten echter wel te dulden dat de gezamenlijke aandeelhouders concrete instructies konden geven waarbij het bestuur vervolgens gehouden was om deze instructies uit te voeren. In deze systematiek zou de AVA nog altijd een vorm van doorslaggevende invloed over het handelen van het bestuur kunnen uitoefenen. In een besloten N.V. zou voorstelbaar zijn dat de AVA bij (meerdeheids)besluit door middel van het geven van een concrete instructie invloed op het bestuur zou kunnen uitoefenen. Bij publieke N.V.’s zou de situatie dat de AVA tot een dergelijk meerderheidsbesluit kon komen zich vanwege de spreiding van het aandelenbezit en mogelijk afwijkende zeggenschapsverhoudingen in de AVA als gevolg van de aanwezigheid van bijvoorbeeld een klasse preferente aandelen naar alle waarschijnlijkheid minder snel voordoen. De door Van der Grinten aangevoerde instructiebevoegdheid van de AVA ten opzichte van het bestuur was dus van weinig praktisch belang in de context van publieke N.V.’s, maar kon wel een rol spelen in besloten verhoudingen. In zoverre was de ‘hoogste macht’ gedachte in ieder geval voor besloten vennootschappen nog altijd actueel.