Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/12.5.5
12.5.5 De splitsende rechtspersoon houdt een deelneming in de zin van art. 13c Wet VPB 1969 (wettekst 2011)
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491551:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
Dit lijdt uitzondering ingeval de verkrijger in het buitenland is gevestigd en de beclaimde deelneming niet tot zijn vi-vermogen in Nederland gaat behoren. In dat geval geldt mijns inziens standaardvoorwaarde 1. Dit is uitgebreider besproken in de onderdelen 11.4.4.6 en 11.4.5.6. Voor een bespreking van de kern van art. 13c Wet VPB 1969 (wettekst 2011) verwijs ik daarnaast naar onderdeel 11.4.4.3.
Dit is onderbouwd in de onderdelen 11.4.4.6 en 11.4.5.6.
Bij een afsplitsing kan de art. 13c (oud)-deelneming volledig achterblijven bij de afsplitsende rechtspersoon. In dat geval treden de verkrijger(s) vanzelfsprekend niet in de plaats van de afsplitser. Het is echter niet duidelijk wat de gevolgen voor de afsplitser zijn indien de art. 13c (oud)-deelneming gedeeltelijk bij hem achterblijft. Zie onderdeel 11.4.5.6.
Zie onderdeel 12.5.3.
In dit verband wijs ik op HvJ EG, C-285/07 (A.T.), V-N 2009/5.14. Voor de toepassing van de Duitse aandelenfusiefaciliteit gold (voorheen) de eis dat de overdragende vennootschap de in het kader van de aandelenfusie verkregen aandelen in de overnemende vennootschap fiscaal moest waarderen op dezelfde waarde als waarvoor de ingebrachte aandelen fiscaal te boek stonden. Ook de overnemende vennootschap moest de verkregen (ingebrachte) aandelen voor dat bedrag fiscaal waarderen. Dit was de ‘dubbele boekwaarde-eis’. Het Hof van Justitie oordeelde dat Duitsland de fiscale begeleiding op het niveau van de overdrager niet afhankelijk mocht maken van voorwaarden die niet in art. 8 Fusierichtlijn staan. Hoewel ik onderken dat de standaardvoorwaarden over art. 13c (oud)-claims gaan over het doorschuiven van belastingclaims tussen de splitsingspartners, interpreteer ik het oordeel van het Hof (met name punt 28) als een (sterke) aanwijzing dat het meermaals handhaven van dezelfde belastingclaim niet geoorloofd is.
Dit betekent dat de eerder vanuit de fiscaaltechnische toets geconstateerde gebreken met betrekking tot deze standaardvoorwaarden niet hoeven te worden opgelost. Als de wetgever evenwel de huidige regels handhaaft, dient dat wel te gebeuren. Ik heb dit nader uitgewerkt in de onderdelen 11.4.4.6 en 11.4.5.6.
Beschikt de splitsende rechtspersoon op het splitsingstijdstip over een beclaimde deelneming als bedoeld in art. 33b, lid 5, Wet VPB 1969 jo. art. 13c Wet VPB 1969 (wettekst 2011) en gaat deze deelneming in het kader van een fiscaal gefaciliteerde splitsing over naar een verkrijgende rechtspersoon, dan verhuist de claim mijns inziens automatisch mee naar die verkrijger.1 Dit is het gevolg van de fiscale indeplaatstreding. De staatssecretaris acht dat echter niet voldoende. Voor zowel zuivere splitsingen als afsplitsingen is namelijk een aanvullende standaardvoorwaarde uitgevaardigd. Naar mijn mening is deze standaardvoorwaarde bedoeld voor gevallen waarin de art. 13c (oud)-deelneming na de fiscaal begeleide splitsing is verdeeld over meerdere rechtspersonen.2 In de standaardvoorwaarden is bepaald dat de verkrijgers voor het geheel – en dus niet naar evenredigheid van de fiscale boekwaarde van de beclaimde deelneming – in de plaats treden van de splitser met betrekking tot de art. 13c (oud)-claim.3 Dit betekent dat deze claim na de splitsing meerdere keren tot uitdrukking kan komen. In zo’n geval kan de inspecteur om een passende oplossing worden verzocht.
Hiervóór is al geconcludeerd dat de fiscale indeplaatstreding met betrekking tot bijzondere vennootschapsbelastingclaims dient te worden beperkt. De verkrijger dient slechts in de plaats te treden van de splitser met betrekking tot de vennootschapsbelastingclaims voor zover die claims bij een ruisende splitsing volgens wenselijk recht tot uitdrukking zouden komen of in stand zouden blijven.4 Omdat het bij art. 13c (oud)-deelnemingen nog slechts om overgangsrechtsituaties gaat, besteed ik hier slechts beknopt aandacht aan. In het geval van een ruisende splitsing volgens wenselijk recht bestaat de kans dat een art. 13c (oud)-claim verloren gaat voor zover die claim groter is dan de fiscale meerwaarde in de beclaimde deelneming op het splitsingstijdstip. De huidige fiscale indeplaatstreding bevat voor die gevallen overkill aangezien de art. 13c (oud)-claim per definitie in zijn geheel wordt overgenomen door de verkrijger. Dat is in strijd met de fiscaal-theoretische toets. De eerder bepleite beperking van de fiscale indeplaatstreding lost dat op. De hiervóór besproken standaardvoorwaarden voegen echter nog een extra dimensie toe aan de (in bepaalde gevallen dus al te ruime) fiscale indeplaatstreding door de claim bij meerdere rechtspersonen in zijn geheel te handhaven. Ook dat is in strijd met de fiscaal-theoretische toets. Bovendien conflicteert het meermaals handhaven van dezelfde belastingclaim mijns inziens met de Fusierichtlijn.5 Gelet op deze conclusies verdient het geen aanbeveling deze standaardvoorwaarden over te nemen in de Wet VPB 1969 of in het Besluit reorganisaties.6