Einde inhoudsopgave
De goede procesorde (BPP nr. IV) 2006/9.5.4.1
9.5.4.1 Inleiding
Mr. V.C.A. Lindijer, datum 08-11-2006
- Datum
08-11-2006
- Auteur
Mr. V.C.A. Lindijer
- JCDI
JCDI:ADS381060:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De codificatie van de misbruikfiguur in art. 3:13 BW neemt niet weg dat toepassing ervan nog steeds een toepassing van ongeschreven recht inhoudt, evenals het geval is bij wettelijke verwijzingen naar de redelijkheid en billijkheid. Art. 3:13 BW laat zich beschouwen als een uitdrukkelijke erkenning van de beperkende werking van het ongeschreven recht ten opzichte van (bevoegdheden die ontleend kunnen worden aan) het wettelijk recht.
Vgl. Van der Wiel 2004, nr. 84 en Meijers 1937, p. 78.
Dit kan in het bijzonder bij misbruik van beslag- of executiebevoegdheden een adequate sanctie zijn.
552. De eisen van een goede procesorde en het leerstuk misbruik van bevoegdheid hebben met elkaar gemeen dat zij in de rechtspraak worden gebruikt als gronden waarop in een concreet geval grenzen kunnen worden gesteld aan de uitoefening van aan partijen toekomende bevoegdheden. Daarbij gaat het om een begrenzing vanuit het ongeschreven recht.1 De aldus getrokken grenzen kunnen ook worden geformuleerd als verplichtingen van ongeschreven procesrecht, die partijen in acht hebben te nemen bij de uitoefening van een bevoegdheid. Verzuimt een partij zulks, dan zal de rechter het gebruikelijke rechtsgevolg aan de door hen uitgeoefende bevoegdheid kunnen, soms zelfs moeten onthouden. Daarmee wordt in wezen voorkomen dat partijen een bevoegdheid misbruiken of in strijd met de eisen van een goede procesorde uitoefenen. In zulke gevallen wordt wel gesproken van een preventieve beperkende werking van het ongeschreven recht, ter onderscheiding van de repressieve beperkende werking.2 Dat laatste is aan de orde indien de rechter achteraf, nadat het beoogde rechtsgevolg is ingetreden, de bevoegdheidsuitoefening wegens strijd met de eisen van een goede procesorde of wegens misbruik van bevoegdheid als onrechtmatig aanmerkt, en op grond daarvan een herstel in de vorige toestand3 of schadeloosstelling van de benadeelde partij beveelt.
Dat de werking van de eisen van een goede procesorde en de werking van het leerstuk misbruik van bevoegdheid in het procesrecht dicht tegen elkaar aanliggen, of elkaar zelfs ten dele overlappen, behoeft in het licht van de hierboven gegeven beschrijving van de misbruikfiguur echter geen nader betoog. Interessanter is de vraag hoe de werking van deze figuur kan worden afgebakend ten opzichte van de werking van de eisen van een goede procesorde. Daartoe zal in het navolgende de aandacht worden gericht op verschillen in betekenis, op verschillen in de toetsing en op verschillen in rechtsgevolgen, alsmede op redenen tot onderscheid.