Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/38.3.3
38.3.3 Stemonthouding
mr. J.L.W. Broeksteeg, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. J.L.W. Broeksteeg
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Goorden 1990, p. 305.
ABRvS 20 februari 1998, ECLI:NL:RVS:1998:ZF3370, JB 1998, 76, m.nt. Schlössels (Simpelveld).
ABRvS 7 augustus 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE6228, AB 2003, 3, m.nt. Neerhof (Winsum); ABRvS 22 juni 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ8863, AB 2011, 261, m.nt. Neerhof (Loenen).
C.J.N. Versteden, ‘Van Simpelveld naar Winsum’, Gst. 2002-7173, 1, p. 540-558; C.J.N. Versteden, ‘Belangenverstrengeling bij besluitvorming door de raad’, Gst. 2012/11, p. 52-56.
ABRvS 6 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ0796, JB 2013, 62, m.nt. Timmermans (Zeeman Vastgoed); ABRvS 20 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ4957, JB 2013, 84, m.nt. Timmermans (Middelburg); ABRvS 10 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4428, JB 2015, 21 (Noord-Beveland); ABRvS 1 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1010 (Steenbergen).
C.J.N. Versteden, ‘Het verbod van vooringenomenheid: waar is de wetgever?’, Gst. 2013/45, p. 250-259; C.A. Everse, ‘Politiek in de gemeenteraad’, TvCR 2014, p. 27-44; L.J.M. Timmermans, ‘Het verbod van vooringenomenheid’, in: R.J.N. Schlössels e.a. (red.), JB Select, Den Haag: Sdu 2014, p. 57-71; W.J. van der Spek, ‘Belangenverstrengeling gordiaanse knoop?’, Gst. 2016/73, p. 384-393.
Goorden waarschuwde in 1990 al voor een mogelijke spanning tussen artikel 28 Gemeentewet en artikel 2:4 Awb.1 Hij constateerde toen dat het doel en de strekking van deze bepalingen zo ongeveer gelijk zijn. Toch zou deze spanning lange tijd onder de huid blijven en pas zo’n 10 jaar later in volle omvang duidelijk worden.
Artikel 28 Gemeentewet bepaalt, dat een lid van de raad niet mag deelnemen aan de stemming over aangelegenheden die hem rechtstreeks of middellijk aangaan of waarbij hij als vertegenwoordiger is betrokken. Daarbij is artikel 28 Gemeentewet in eerste instantie strikt uitgelegd: ‘vertegenwoordiger’ is in civielrechtelijke zin te beschouwen, hetgeen betekent dat het raadslid bevoegd moet zijn om namens een rechtspersoon te handelen.2 Daarvan is niet snel sprake, omdat in de praktijk een bestuurslid van een vereniging of stichting niet vaak individueel bevoegd is, maar alleen gezamenlijk, met een ander bestuurslid. Er ontstonden problemen toen de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State naast artikel 28 Gemeentewet ook artikel 2:4 Awb ging toepassen op casus van stemonthouding.3 Artikel 2:4 Awb betreft de vooringenomenheid van de raad als bestuursorgaan: hij heeft de zorgplicht om niet vooringenomen te zijn. Het betreft dan het gehele proces van besluitvorming: niet alleen de stemming, maar ook de beraadslagingen. Daarmee lijkt de Afdeling, zo was de algemene kritiek op de uitspraken Winsum en Loenen, de politieke rol van de raad te veronachtzamen en raadsleden wat al te snel te beperken in de mogelijkheid om hun stem uit te brengen. Terwijl deelname aan de beraadslagingen én aan de stemming toch de kern is van het raadslidmaatschap.4 De raad had het betreffende raadslid moeten weerhouden van stemming – maar beschikt niet, zo luidt de kritiek, over bevoegdheden om dat te bereiken. De Afdeling trekt zich deze kritiek aan en zet een andere lijn uit.5 Zij stelt vast dat politieke vooringenomenheid (in beginsel) geen belangenverstrengeling impliceert. Toepassing van artikel 2:4 Awb is alleen geboden in geval van ‘bijkomende om- standigheden’ – waarbij het overigens, buiten zuivere persoonlijke belangen, niet helemaal helder is wanneer daarvan sprake is. In ieder geval is daadwerkelijke belangenverstrengeling vereist en is de enkele schijn niet langer voldoende.6 De rol van artikel 2:4 Awb lijkt daarmee aanzienlijk teruggedrongen. Deze bepaling moet, in gevallen van stemonthouding, gelezen worden in het licht van artikel 28 Gemeentewet.