Einde inhoudsopgave
Sleutels voor personenvennootschapsrecht (IVOR nr. 102) 2017/4.4.5
4.4.5 Beëindiging of overdracht EIRL-vermogen onder algemene titel
Chr.M. Stokkermans, datum 28-02-2017
- Datum
28-02-2017
- Auteur
Chr.M. Stokkermans
- JCDI
JCDI:ADS590423:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
C.com., art. L.526-15.
C.com., art. L.680-5.
C.com, art. L.526-15leden 1 en 2. Mallet-Bricout 2011, nr. 108 en 109.
C.com, art. L.526-16.
Dubuisson & Germain 2011, nr. 48. De regeling is niet onomstreden. Het 110e congres van notarissen in Frankrijk (2014) heeft een motie aangenomen waarin wordt opgeroepen de regeling af te schaffen, omdat zij bij gebreke aan een véritable universalité niet gerechtvaardigd zou zijn. Zie Pando 2014.
C.com., art. L.526-17 sub I.
Dubuisson & Germain 2011, nr. 123, 125, 127, 128 en 143.
Dubuisson & Germain 2011, nr. 163.
C.com., art. L.526-17 sub II en III lid 1, en art. R.526-13.
C.com, art. L.526-15lid 1 tweede volzin. Mallet-Bricout 2011, nr. 107.
Dubuisson & Germain 2011, nr. 140 en 141. Voor de apport partiel d’actif onder algemene titel, zie C.com., art. L.236-22 (SA), art. L. 236-24 (SARL) en sedert 2012 ook art. L. 236- 6-1 (uitbreiding naar alle handelsvennootschappen). Zie over fusion en apport partiel d’actif ook 5.2.3 en 5.2.4.3.
Dubuisson & Germain 2011, nr. 159-160.
Dubuisson & Germain 2011, nr. 134 en 144 denken van niet.
Dubuisson & Germain 2011, nr. 199.
De ondernemer kan bij het handelsregister een beëindigingsverklaring deponeren. De (eerdere) verklaring van doelbestemming houdt dan op effect te sorteren. De ondernemer houdt op EIRL te zijn. Schulden die hij nadien aangaat, zullen op zijn gehele vermogen verhaald kunnen worden, ongeacht of deze een zakelijk of privé karakter hebben. Echter, als de beëindiging gepaard gaat met het staken van de ondernemingsactiviteiten, bijvoorbeeld omdat de ondernemer van zijn pensioen gaat genieten, blijft de vermogensscheiding in stand tegenover de op dat moment bestaande schuldeisers.1 Hoe dit in de praktijk precies uitwerkt, is niet helemaal duidelijk. Ik kan mij voorstellen dat de (oud-) ondernemer het EIRL-vermogen zal vereffenen en het batig saldo zal opsparen, beleggen of uitgeven voor privébehoeften. Mochten er nadien nog zaakschulden opkomen die hij ten tijde van de vereffening niet hoefde te verwachten, dan rijst de vraag of en in hoeverre die alsnog verhaald kunnen worden. Moet met het leerstuk van de zaaksvervanging worden beoordeeld tot welk bedrag en op welke vermogensbestanddelen de nagekomen zaakschuldeiser zich nog kan verhalen? Of kan na vereffening overheveling naar het privévermogen plaatsvinden en hebben nagekomen zaakschuldeisers geen verhaal als de ondernemer bij de vereffening te goeder trouw was? Een antwoord op deze vragen heb ik (nog) niet gevonden. Omgekeerd, als er geen zaakschuldeisers meer zijn, mogen oude privéschuldeisers die aan de vermogensscheiding gebonden zijn gebleven, zich verhalen op de goederen die tot het EIRL-vermogen hebben behoord.2
Ook in geval van overlijden van de ondernemer houdt de (eerdere) verklaring van doelbestemming op effect te sorteren, maar blijft de vermogensscheiding voor ten tijde van het overlijden bestaande schuldeisers gehandhaafd. In dit geval moeten de erfgenamen een verklaring van beëindiging van de doelbestemming deponeren.3 Dit hoeft niet, indien een erfgenaam of een legataris die daartoe met inachtneming van het erfrecht bevoegd is, blijk geeft van zijn intentie om de zakelijke activiteiten voort te zetten en een verklaring van voortzetting bij het handelsregister deponeert.4
Bedrijfsovername wordt in de EIRL-regeling op een bijzondere manier gefaciliteerd.5 Het EIRL-vermogen kan als geheel, zonder vereffening, worden overgedragen. Men spreekt van overdracht onder algemene titel van een algemeenheid (universalité). Het kan gaan om een verkoop, een schenking of een inbreng in een vennootschap.6 De overdracht kan geschieden aan een andere natuurlijke persoon, met instandhouding van de vermogensscheiding. De verkrijger kan een EIRL zijn, of dat ter gelegenheid van de verkrijging worden, maar dat hoeft niet.7 Het EIRL-vermogen kan ook worden verkocht en overgedragen aan een rechtspersoon of worden ingebracht in een vennootschap, waarbij de vermogensscheiding niet in stand blijft. Door de transactie eindigt de vermogensscheiding aan de zijde van de vervreemder.8 In geval van verkoop of inbreng vloeit de tegenprestatie (deelnemingsrechten in een vennootschap, of koopprijs) dus in het privévermogen van de vervreemder. De overdracht kan tegenover derden worden ingeroepen na deponering van een overdrachtsverklaring bij het handelsregister, die vergezeld moet gaan van een beschrijving van de bestanddelen waaruit het afgescheiden vermogen bestaat, en mededeling daarvan in het Bulletin officiel des annonces civiles et commerciales (BACC).9 Ook is er een schuldeisersverzetsregeling, waarover hierna.
Wordt de onderneming als geheel overgedragen, dan worden de bestaande rechten van privéschuldeisers en zaakschuldeisers gehandhaafd.10 Dit betekent dat de bestaande privéschuldeisers ook na de overdracht geen verhaal zullen hebben op het (overgedragen) EIRL-vermogen. De bestaande zaakschuldeisers blijven juist met het EIRL-vermogen verbonden (de verkrijger daarvan wordt hun nieuwe schuldenaar) en kunnen zich ook na de overdracht niet verhalen op het bij de vervreemder achtergebleven (privé)vermogen. De transactie vertoont sterke raakvlakken met de vermogensovergang onder algemene titel bij fusion (juridische fusie) en apport partiel d’actif (inbreng in natura van een onderneming of een zelfstandig onderdeel daarvan, die in Frankrijk desgewenst onder algemene titel kan plaatsvinden).11 Aangenomen wordt dat hoogstpersoonlijke rechtsposities niet overgaan.12
Onduidelijk is of de verkrijger aansprakelijk wordt voor schulden die tot het EIRL-vermogen behoren, maar niet op de overdrachtslijst staan.13 In de literatuur wordt verdedigd dat dergelijke schulden wel overgaan, zij het dat de verkrijger intern niet draagplichtig zal zijn, en dat daarnaast ook de vervreemder extern aansprakelijk blijft, indien hem van het gebrek een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt.14