Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort
Einde inhoudsopgave
Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (O&R nr. 115) 2019/6.3.3:6.3.3 Artikel 3:15i BW tijdens surseance van betaling
Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (O&R nr. 115) 2019/6.3.3
6.3.3 Artikel 3:15i BW tijdens surseance van betaling
Documentgegevens:
mr. drs. C.M. Harmsen , datum 01-07-2019
- Datum
01-07-2019
- Auteur
mr. drs. C.M. Harmsen
- JCDI
JCDI:ADS180142:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hetgeen ik in paragraaf 6.2.3 onderzocht en constateerde ten aanzien van de administratieplicht van artikel 3:15i BW en faillissement, geldt ook bij de surseance van betaling. Ik zie geen goede grond om in geval van (uitsluitende) toepasselijkheid van artikel 3:15i BW anders te oordelen over de invloed van de surseance van betaling op de administratieplicht dan bij de toepasselijkheid van artikel 2:10 BW.
Ook voor niet-rechtspersonen die in surseance van betaling verkeren blijft artikel 3:15i BW gelden zoals dat zou zijn wanneer geen surseance van betaling zou zijn uitgesproken. Tijdens de surseance van betaling wordt het door de sursiet uitgeoefende bedrijf of zelfstandig beroep voortgezet. Ik zou daarbij niet zover willen gaan dat de bewindvoerder daarbij ook zelf behoort tot de normplichtigen van artikel 3:15i BW, namelijk als iemand die zelf als gevolg van de benoeming tot bewindvoerder, het bedrijf of beroep van de sursiet (mede) uitoefent. Anders dan bij een faillissement is de bewindvoerder niet zelfstandig bevoegd tot het beheer en beschikken over het vermogen van de sursiet. Daarmee hangt dan ook samen dat de bewindvoerder niet (zelfstandig) een bedrijf of beroep uitoefent, ook al wordt het bedrijf of beroep van de sursiet voortgezet.