De turboliquidatie van de Besloten Vennootschap
Einde inhoudsopgave
De turboliquidatie van de BV (VDHI nr. 131) 2016/6.5.3:6.5.3 De rol van de Kamer van Koophandel bij turboliquidaties: een praktijkvoorbeeld
De turboliquidatie van de BV (VDHI nr. 131) 2016/6.5.3
6.5.3 De rol van de Kamer van Koophandel bij turboliquidaties: een praktijkvoorbeeld
Documentgegevens:
mr. S. Renssen, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. S. Renssen
- JCDI
JCDI:ADS389889:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
CBB 21 december 2012, RO 2013/31.
Conclusie A-G Timmerman bij HR 13 juli 2012, LJN BW7477.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In een beroep bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven1 is de rol van de Kamer van Koophandel bij turboliquidaties duidelijk naar voren gekomen. Deze zaak betrof een weigering tot inschrijving van een turboliquidatie van een stichting en een BV in het handelsregister door de Kamer van Koophandel op grond van artikel 4 lid 1 jo. 5 lid 2 sub e Hrb. De appellanten voerden hiertegen aan dat beide entiteiten wegens het ontbreken van baten conform artikel 2:19 lid 4 BW zonder vereffening zouden zijn opgehouden te bestaan. Zij stelden voorts dat artikel 4 lid 1 en artikel 5 lid 2 sub e Hrb uitdrukkelijk zien op de inschrijving van rechtspersonen en niet op een wijziging van gegevens zoals zich in het onderhavige geval voordeed.
Ten behoeve van de duidelijkheid; artikel 4 lid 1 en artikel 5 lid 2 sub e Hrb luiden als volgt:
‘De kamer onderzoekt of een opgave afkomstig is van iemand die tot het doen ervan bevoegd is, en of de opgave juist is, tenzij in Nederland of een andere lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte reeds onderzoek naar gelijkwaardige eisen is verricht en hieruit blijkt dat de opgave aan de eisen voldoet.’
‘De kamer kan weigeren om tot inschrijving over te gaan indien de kamer gerede twijfel heeft over de juistheid van de opgave.’
De Kamer van Koophandel weigerde de inschrijving van de turboliquidatie, omdat zij eerder van een betrokkene van appellant had vernomen dat de BV schulden zou hebben, maar vooral omdat deze betrokkene aan de balie van de Kamer van Koophandel ten overstaan van één van de medewerkers melding had gedaan van het feit dat zij een vergoeding ontving om als tussenpersoon te fungeren. Met deze kennis is het de plicht van de Kamer van Koophandel om de juistheid van de gedane opgaaf tot turboliquidatie te toetsen. De Kamer van Koophandel wilde zich ervan vergewissen dat de opgaaf van de turboliquidatie inhoudelijk juist was en het niet de bedoeling van appellanten was om een faillissement te ontlopen en schuldeisers moedwillig te benadelen. Deze zaak vormt dus een mooi praktijkvoorbeeld waaruit blijkt dat de Kamer van Koophandel niet langer lijdelijk is: wanneer er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan de juistheid van de in te schrijven turboliquidatie, is de Kamer van Koophandel bevoegd deze inschrijving te weigeren en om bewijsstukken te vragen. De vraag rijst echter of de Kamer van Koophandel bij elke twijfelachtige inschrijving van een turboliquidatie zo nauwkeurig te werk gaat. Bovendien is het mij niet duidelijk hoe bovenstaande zich verhoudt met de opvatting van A-G Timmerman dat de Kamer van Koophandel niet bevoegd is na te gaan of een turboliquidatie rechtsgeldig heeft plaatsgevonden.2 Is dat niet juist wat in de zaak bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven gebeurt? Mijns inziens is de opvatting van het College juist.