Omzetting als rechtsvormwijziging
Einde inhoudsopgave
Omzetting als rechtsvormwijziging (IVOR nr. 70) 2010/4.6:4.6 Bescherming stichtingsvermogen
Omzetting als rechtsvormwijziging (IVOR nr. 70) 2010/4.6
4.6 Bescherming stichtingsvermogen
Documentgegevens:
Mr. B. Snijder-Kuipers, datum 20-01-2010
- Datum
20-01-2010
- Auteur
Mr. B. Snijder-Kuipers
- JCDI
JCDI:ADS495395:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 2:285 lid 3 BW
Artikel 2:18 lid 6 BW.
Gedurende het bestaan van de stichting kunnen de statuten gewijzigd worden als de statuten dit toelaten, artikel 2:293 BW.
Vaste commissie voor Justitie 18 november 1987, 17 725, p. 7-8.
Zie 4.5.3.
En daarom ook niet voor juridische fusie of splitsing met casu quo in andere rechtsvormen.
Brief van Staatssecretaris van Justitie d.d. 16 december 2008 getiteld 'Maatregel ter verbetering van het toezicht op stichtingen'.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het doel neemt bij een stichting een centrale plaats in. Dat verdient bescherming. De wet beschermt het doelgebonden vermogen gedurende het bestaan van de stichting1 en na rechtsvormwijziging van een stichting.2 De aard van de bescherming tijdens het bestaan van de stichting wijkt af van de bescherming van het vermogen na rechtsvormwijziging.
Gedurende het bestaan van een stichting wordt het vermogen beschermd door het statutaire doel. Dat doel wordt beperkt door de beschermende bepaling dat geen uitkeringen gedaan mogen worden aan oprichters of leden van organen.
Artikel 2:285 lid 3 BW bepaalt:
Het doel van de stichting mag niet inhouden het doen van uitkeringen aan oprichters of aan hen die deel uitmaken van haar organen noch ook aan anderen, tenzij wat deze laatsten betreft de uitkeringen een ideële of sociale strekking hebben.
Dit betekent dat gedurende het bestaan van de stichting het doelvermogen beschermd wordt tegen uitkering ten behoeve van privévermogens van oprichters of leden van organen. De bescherming van het doelvermogen van een stichting na rechtsvormwijziging heeft een breder toepassingsbereik, in tweeërlei opzicht:
De vermogensklembepaling van artikel 2:18 lid 6 BW geeft een gehele bestedingswijze van het vermogen aan.
Na rechtsvormwijziging kan het doel van de stichting niet meer gewijzigd worden.3
Uit de parlementaire behandeling volgt:
`Volgens het aanvankelijke ontwerp kon een stichting zich alleen in een vereniging omzetten ( ...) Intussen is de regeling verruimd en kan de stichting zich omzetten in iedere andere privaatrechtelijke rechtspersoon. Waarom moet nu bij die andere omzettingen niet uit de statuten van de nieuwe rechtsvorm blijken dat het oorspronkelijke stichtingsvermogen beschermd blijft?'4
De bepaling ter vastlegging van de vermogensklem werd van toepassing op rechtsvormwijziging van een stichting:
`Bedacht moet overigens worden dat de bepaling (artikel 2:18 lid 6 BW, toevoeging BSK) haar kracht verliest, wanneer het vermogen dat er bij de omzetting was en de vruchten daarvan, zijn besteed.’5
Uit de parlementaire geschiedenis volgt niet dat het de bedoeling van de wetgever is geweest na rechtsvormwijziging een strengere eis aan de bestemming van het vermogen van een stichting op te leggen dan gedurende het bestaan van de stichting.
De huidige wettelijke regeling beschermt het vermogen van de stichting na rechts-vormwijziging anders dan gedurende het bestaan van de stichting. Eenzelfde bescherming lijkt het uitgangspunt van de wetgever. Dat kan op twee manieren vorm gegeven worden. Het systeem van vermogensbescherming gedurende het bestaan van de stichting wordt ook van toepassing na rechtsvormwijziging van een stichting (optie 1) of de regeling van artikel 2:18 lid 6 BW wordt ook van toepassing gedurende het bestaan van de stichting (optie 2). Beide opties leiden tot een andere wettelijke regeling. Ik meen dat het de bedoeling van de wetgever is geweest het vermogen na rechtsvormwijziging op dezelfde wijze te beschermen als gedurende het bestaan van de stichting (optie 1).
Optie 1. Bescherming als bestaande stichting
In deze optie wordt artikel 2:285 lid 3 BW, bestedingsbeperking, tot uitgangspunt genomen. Dat betekent dat de bepaling omtrent de vermogensklem van artikel 2:18 lid 6 BW aangepast moet worden. Daarbij dient wel bedacht te worden dat uitgangspunt zal blijven dat het doel van de stichting na rechtsvormwijziging niet gewijzigd kan worden. Dat is inherent aan de rechtsfiguur van rechtsvormwijziging.
De vermogensklem heeft ten doel te bereiken dat het vermogen van de stichting ten tijde van de rechtsvormwijziging besteed wordt ten gunste van het doel van de stichting en om te voorkomen dat het vermogen van de stichting na rechts-vormwijziging van een stichting privévermogen van de leden (rechtsvormwijziging in vereniging, cooperatie of onderlinge waarborgmaatschappij) of aandeelhouders (na rechtsvormwijziging in een kapitaalvennootschap) wordt. Als het gaat om het beschermen van dat belang, dient artikel 2:18 lid 6 BW aangepast te worden in de lijn van artikel 2:285 lid 3 BW.
Artikel 2:18 lid 6 BW moet in deze visie gewijzigd worden en komt te luiden als volgt:
`Na wijziging van de rechtsvorm moet uit de statuten blijken dat het vermogen dat zij op het moment van de wijziging van rechtsvorm heeft en de vruchten daarvan niet mag worden uitgekeerd aan oprichters, aandeelhouders, of leden of aan hen die deel uitmaakten van haar organen noch ook aan anderen, tenzij wat deze laatsten betreft de uitkering plaatsvindt conform het doel van de oorspronkelijke stichting. Hetzelfde geldt voor de statuten van een rechtspersoon voor zover dit vermogen en de vruchten daarop krachtens fusie of splitsing zijn overgegaan.'
Optie 2. Bescherming als van rechtsvorm gewijzigde stichting
De wet geeft een aanwijzing van besteding met betrekking tot het gehele vermogen van de stichting en de vruchten van dat vermogen. Dat heeft tot gevolg dat artikel 2:285 lid 3 BW te beperkt is.
Indien de statuten dat toelaten, kan onder de huidige wettelijke regeling het doel van de stichting gewijzigd worden op grond waarvan het vermogen van de stichting vanaf het moment van doelwijziging een andere bestemming krijgt.
De stichting tot bevordering van een rookvrij Nederland wijzigt het doel op grond waarvan de stichting het nicotineverbruik zal gaan bevorderen. De gelden die de stichting heeft ontvangen onder de oude doelstelling kunnen nu worden aangewend voor een tegengesteld doel.
Indien de bescherming van artikel 2:18 lid 6 BW ook gedurende het bestaan van de stichting opgeworpen dient te worden ter bescherming van het doelgebonden vermogen moet uitgangspunt zijn dat het doel van de stichting uitsluitend gewijzigd kan worden na rechterlijke toestemming. In praktijk wordt rechterlijke toestemming voor anders besteden van voormalig stichtingsvermogen niet gegeven.6
Ervan uitgaande dat de rechter een dergelijke toestemming terecht niet verleent, dan leent de aard van de rechtspersoon stichting zich niet voor de rechtsfiguur van rechtsvormwijziging.7 In deze visie dient artikel 2:18 BW de mogelijkheid van rechtsvormwijziging van een stichting dan ook uit te sluiten. Rechtsvorm-wijziging in een stichting kan gehandhaafd blijven. Ondersteuning voor deze opvatting vind ik in het Duitse recht. In Duitsland kan een stichting niet van rechtsvorm gewijzigd worden vanwege de bijzondere aard van de rechtsvorm.
Argumenten kunnen worden aangevoerd tegen de stelling dat een stichting zich naar haar aard niet leent voor rechtsvormwijziging. Ik noem enkele argumenten. De kosten van rechtsvormwijziging zullen veelal niet minder hoog zijn dan een traject van liquidatie van een stichting met inbreng van vermogen in een nieuw op te richten entiteit. De hoogte van de kosten hangt vooral af van de complexiteit van het vermogen. De kosten die samenhangen met een gang naar de rechter worden bespaard.
Vermogen van een stichting is in principe vermogen dat beperkt gebruikt kan worden vanwege de aard van de rechtsvorm. Rechtsvormwijziging lost dat probleem niet op maar verschuift dat probleem van vermogen in de dode hand naar een later moment. Het vermogen blijft immers beklemd, ook na rechtsvormwijziging.
Door rechtsvormwijziging van een stichting af te schaffen wordt een meer rigide systeem ingevoerd dat haaks staat op de wens om te flexibiliseren. Echter, flexibilisering wil niet zeggen dat er geen regels zijn. Flexibiliteit uit zich in andersoortige regels. Het is geen oplossing voor regelingen die in de praktijk niet correct worden nagekomen.
Ten slotte wil ik opmerken dat de wetgever plannen heeft meer toezicht op stichtingen te ontwikkelen. Nadere invulling hiervan zal worden gegeven indien de voorgenomen publicatieplicht voor stichtingen gaat gelden. In de staat van baten en lasten moet de hoogte van de contante en girale donaties vermeld worden.8