Einde inhoudsopgave
Hoofdelijke aansprakelijkheid (O&R nr. 144) 2024/1.5
1.5 Terminologie
mr. drs. D.F.H. Stein, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. drs. D.F.H. Stein
- JCDI
JCDI:ADS931166:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie met name Smith 2019, p. 177 e.v. Vgl. (1848) 6 Q.B. 288 (KB) (Henderson v. Henderson), 115 (Denman CJ): “A judgment for unliquidated damages in respect to an action of tort is equally in invitum, and may equally be said to form no debt till the Court has adjudged to the plaintiff his damages: but, when so adjusted, they are recoverable as a debt.”
Zie bijvoorbeeld Birks 1995, p. 46-51; Birks 1997, p. 23-25; Gardner 2011, p. 29; Gardner 2019, p. 103 e.v.; Steel & Stevens 2020. Zie voorts [1973] 1 A.C. 331 (HL) (Moschi v. Lep Air Services Ltd.), 442C (Lord Diplock). Zie voor het Nederlandse recht art. 6:87 BW, dat duidelijk onderscheid maakt tussen primaire en secundaire verbintenissen, en het opschrift van Afdeling 6.1.10 BW (‘Wettelijke verplichtingen tot schadevergoeding’).
Zie (1848) 1 Ex. 850 (Ex) (Robinson v. Harman), 365 (Parke B): “The rule of the common law is, that where a party sustains a loss by reason of a breach of contract, he is, so far as money can do it, to be placed in the same situation, with respect to damages, as if the contract had been performed.”; (1880) 5 App. Cas. 25 (HL) (Livingstone v. Rawyard Coal Co), 39 (Lord Blackburn): “where any injury is to be compensated by damages, in settling the sum of money to be given for reparation of damages you should as nearly as possible get at that sum of money which will put the party who has been injured, or who has suffered, in the same position as he would have been in if he had not sustained the wrong for which he is now getting his compensation or reparation.”; [1980] 1 A.C. 174 (HL) (Lim Poh Choo v. Camden and Islington), 187 (Lord Scarman): “the principle of the law is that compensation should as nearly as possible put the party who has suffered in the same position as he would have been in if he had not sustained the wrong”.
Zie bijvoorbeeld Williams 1949 en Williams 1951, en vgl. Treitel/Peel 2020/13-002 e.v. en Winfield & Jolowicz/Goudkamp & Nolan 2020/22-001 e.v.
Zie Bloembergen 1965/99 e.v.; Rutten 1984, p. 517; Van Boom 1999, p. 47 e.v. en p. 89 e.v.; Van Boom 2016a, p. 59 e.v. en p. 99 e.v.; en Asser/Sieburgh 6-I 2020/111 e.v. en 121 e.v. Zie in rechtsvergelijkend opzicht Rogers 2004, p. 271 e.v.
Zie art. 6:10 e.v. BW, waarover Hoofdstuk 4, par. 4.4.2.
Zie resp. Hoofdstuk 4, par. 4.4; Hoofdstuk 5, par. 5.3; en Hoofdstuk 6, par. 6.3.
Nr. 17.
Zie daarover hierna, nr. 90.
Zie daarover uitgebreid Hoofdstuk 4, par. 4.4.2.
Zie bijvoorbeeld De Kok 1965.
Zie bijvoorbeeld Van Boom 1999, p. 96 e.v., en Van Boom 2016a, p. 102 e.v.
Zie daarover Hoofdstuk 3, par. 3.2.4.2.3 resp. par. 3.2.4.3.3.
16. Hoofdelijke verbondenheid, hoofdelijke aansprakelijkheid en hoofdelijkheid. Het onderwerp van deze studie vereist niet dat ik een eigen begrippenkader ontwikkel, omdat dat begrippenkader er al is. Dit geldt in sterkere mate voor het nationale recht dan voor het Unierecht, maar ook wat Unierecht betreft volstaat de beschikbare terminologie om het voorwerp van deze studie te beschrijven.
Ik maak in dit proefschrift gebruik van gangbare (Nederlandstalige) juridische begrippen ‘hoofdelijke verbondenheid’, ‘hoofdelijke aansprakelijkheid’, en ‘hoofdelijkheid’. Tussen die begrippen bestaan wat mij betreft geen relevante verschillen. De termen ‘hoofdelijke verbintenissen’ en ‘hoofdelijke verbondenheid’ gebruik ik slechts waar het gaat om het Nederlandse recht, en niet waar het gaat om Unierecht, omdat het Unierecht zelf geen algemeen verbintenissenrecht kent en niet spreekt van ‘hoofdelijke verbintenissen’, maar van ‘hoofdelijke aansprakelijkheid’.
Ik wijs erop dat waar voor de continentaal geschoolde jurist ‘aansprakelijkheid’ het bestaan van een verbintenis veronderstelt, dit voor een in de common law geschoolde jurist geen vanzelfsprekendheid is. In de Engelsrechtelijke literatuur wordt door sommigen verdedigd dat aansprakelijkheid wegens tort of breach of contract niét onmiddellijk een verplichting tot schadevergoeding (duty to pay damages) in het leven roept, maar dat een dergelijke verplichting pas tot stand komt door een rechterlijke veroordeling.1 Vóór dat moment is er in deze opvatting dus geen obligation en kan er dus ook geen sprake zijn van joint and several obligations. De meerderheidsopvatting lijkt echter te zijn dat er ook vóór een rechterlijke veroordeling wel degelijk sprake is van een verplichting tot schadevergoeding, namelijk een ‘secundaire’ verbintenis (secondary obligation),2 die ertoe strekt de benadeelde in de situatie te brengen waarin die zou hebben verkeerd zónder de wrong.3 Wel wordt in de Engelsrechtelijke literatuur onderscheid gemaakt tussen hoofdelijke verbondenheid uit hoofde van een rechtshandeling (het gaat dan om debts) en hoofdelijke verbondenheid tot het betalen van schadevergoeding (liability).4
In de titel van dit boek is gekozen voor ‘hoofdelijke aansprakelijkheid’, omdat die term zowel in het Unierecht als het Nederlandse recht wordt gebruikt. De voor het Nederlandse recht soms gebruikte term ‘hoofdelijke verbondenheid’ sluit daarbij minder goed aan.
17. Externe vs. interne verhoudingen. Wat betreft de verschillende rechtsverhoudingen bij hoofdelijke aansprakelijkheid maak ik gebruik van het gangbare onderscheid tussen ‘externe’ en ‘interne’ verhoudingen.5 Met de externe rechtsverhoudingen doel ik op de verhoudingen tussen de schuldeiser enerzijds en de hoofdelijk schuldenaren anderzijds. Daarbij gaat het onder meer om de vraag óf sprake is van hoofdelijke verbondenheid, en om de vraag wat de gevolgen zijn van het delgen van de schuld ten laste van één van de hoofdelijk schuldenaren voor de aansprakelijkheid (tegenover de schuldeiser) van de andere schuldenaren.6 De interne rechtsverhoudingen betreffen de verhoudingen tussen de schuldenaren onderling. Een betaling door een van de hoofdelijk schuldenaren heeft mogelijk ook gevolgen voor de verhoudingen tussen de schuldenaren, omdat zij aanleiding kan geven tot verhaalsrechten tussen de medeschuldenaren.7 Is de hoofdelijke schuld volledig gedelgd, dan is geen sprake meer van hoofdelijkheid.8 Niettemin hoort een bespreking van de interne verhoudingen thuis in een onderzoek over hoofdelijke aansprakelijkheid, omdat ook indien van hoofdelijke aansprakelijkheid niet langer sprake is, het bij de interne verhoudingen gaat om daaruit voortvloeiende rechtsgevolgen. In dit boek zal de nadruk liggen op de bespreking van de interne verhoudingen. Op dat gebied bestaat de meeste onduidelijkheid, zowel wat betreft het bepalen van de draagplicht tussen hoofdelijk schuldenaren, de mogelijkheden om in rechte nakoming af te dwingen van eventuele verhaalsrechten, als de mogelijkheden om in geval van faillissement dergelijke rechten te effectueren.9
18. Verhaal en verhaalsrechten. Zoals hiervoor reeds aan de orde kwam,10 heeft een hoofdelijk schuldenaar soms het recht om zich te verhalen op een hoofdelijk medeschuldenaar. In dit onderzoek duid ik dergelijke rechten aan als ‘verhaalsrechten’. Ik gebruik deze term dus niet in de betekenis die daaraan in Titel 3.10 BW wordt toegekend,11 maar als overkoepelende term voor de verschillende wijzen waarop een (voormalig) hoofdelijk schuldenaar zich mogelijk kan verhalen op een (voormalig) hoofdelijk medeschuldenaar, ongeacht of dat gebeurt op grond van regres, subrogatie, of anderszins.12 Enerzijds doe ik dat omdat de term ‘verhaalsrecht’ voor het Nederlandse recht voor minder verwarring zorgt dan de term ‘regres’, omdat daarmee soms wordt gedoeld op het verhaalsrecht dat ontstaat uit hoofde van art. 6:10 BW,13 maar soms op verhaalsrechten in het algemeen, waaronder subrogatie uit hoofde van art. 6:12 BW.14 Een tweede reden om te spreken van ‘verhaal’ en ‘verhaalsrecht(en)’ is dat in de gevallen waarin het Unierecht ook het verhaal tussen hoofdelijk aansprakelijke partijen regelt, het niet spreekt van ‘regres’, maar bepaalt dat een hoofdelijk aansprakelijke partij “een bijdrage kan terugvorderen” (art. 11 lid 5 Richtlijn 2014/104/EU) of een “deel van de schadevergoeding [kan] verhalen” op de andere aansprakelijke partijen (art. 82 lid 5 AVG).15