Einde inhoudsopgave
Hoofdelijke aansprakelijkheid (O&R nr. 144) 2024/1.3
1.3 Afbakening
mr. drs. D.F.H. Stein, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. drs. D.F.H. Stein
- JCDI
JCDI:ADS931072:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie art. 33 t/m 48a Invorderingswet 1990 resp. art. 36e lid 7 Wetboek van Strafrecht.
Zo wordt bijvoorbeeld meer aandacht besteed aan de 403-verklaring dan aan de hoofdelijke verbondenheid uit hoofde van art. 1:102 BW.
HvJEU 6 oktober 2021, C-882/19, ECLI:EU:C:2021:800, JOR 2022/22, m.nt. S.A. van Dijk (Sumal), r.o. 44, en HvJEU 16 februari 2023, C-321/21, ECLI:EU:C:2023:99 (Tráficos Manuel Ferrer), r.o. 60-61.
Zo heeft het Hof van Justitie in het kader van een hoofdelijk opgelegde boete geoordeeld dat uit het begrip ‘onderneming’ voortvloeit dat een boete hoofdelijk kan worden opgelegd aan tot die onderneming behorende ‘juridische entiteiten’, en heeft het Hof van Justitie die redenering ook gebruikt ter beantwoording van de vraag welke juridische entiteiten binnen een inbreukmakende onderneming tot schadevergoeding verplicht zijn. Zie voor hoofdelijk opgelegde boetes HvJEU 10 april 2014, gevoegde zaken C-231/11, C-232/11 en C-233/11, ECLI:EU:C:2014:256 (Siemens/Commissie), r.o. 33, 51 en 57; HvJEU 10 april 2014, gevoegde zaken C-247/1 en C-253/11, ECLI:EU:C:2014:257 (Areva/Commissie), r.o. 122; en voor schadevergoeding HvJEU 6 oktober 2021, C-882/19, ECLI:EU:C:2021:800, JOR 2022/22, m.nt. S.A. van Dijk (Sumal), r.o. 44. Zie over een en ander nader Hoofdstuk 3, par. 3.5, en voorts Stein 2022b.
Zie over het onderscheid nader Hoofdstuk 2, par. 2.3.2. Zie voor een voorbeeld van hoofdelijke aansprakelijkheid in publiekrechtelijke verhoudingen Verordening (EU) nr. 952/2013, art. 84 en 94.
Gerecht (Kamer voor hogere voorzieningen) 7 december 2017, T-401/11 P-RENV-RX, ECLI:EU:T:2017:874 (S. Missir Mamachi di Lusignano c.s./Commissie), r.o. 118.
Conclusie A-G Van Gerven (ECLI:EU:C:1989:300) voor HvJEG 6 februari 1990, C-201/86, Jur. 1990, p. I-00197 (Spie-Batignolles/Commissie), nr. 12-13. Zie in dezelfde zin reeds Constantinesco 1980, p. 63 e.v., en voorts Wils 1992, p. 204-205. Vgl. Lewis 1980.
Het gaat dan in het bijzonder om HvJEG 14 juli 1967, gevoegde zaken C-5/66, C-7/66 en C-13 t/m C-24/66, ECLI:EU:C:1967:31, Jur. 1967, p. 00245 (Kampffmeyer/Commissie). Zie bijvoorbeeld Oliver 1988, p. 127, en vgl. voorts Constantinesco 1980, p. 64 en 70, die niet uitgaat van hoofdelijke aansprakelijkheid, maar wel meent dat het Hof van Justitie in Kampffmeyer ten onrechte terughoudend is in de aansprakelijkheid van de EEG, omdat de lidstaten een beginsel van hoofdelijke aansprakelijkheid gemeen hebben op grond waarvan het Hof hoofdelijke aansprakelijkheid had moeten aannemen (“Telle est la solution que la CJCE en vertu des prescriptions de l’article 215, alinéa 2, du traité CEE aurait dû adopter dans l’arrêt Kampffmeyer.”).
Constantinesco 1980; Brüggemeier 2015/221.
Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft exclusieve bevoegdheid om over de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie te oordelen (art. 268 VwEU), waarbij in eerste aanleg het Gerecht bevoegd is en ten aanzien van rechtsvragen een hogere voorziening kan worden voorgelegd aan het Hof van Justitie (art. 256 lid 1 VwEU). De rechtsmacht ten aanzien van niet-contractuele aansprakelijkheid van lidstaten wordt doorgaans bepaald door het commune ipr van de aangesproken lidstaat, omdat deze kwestie is uitgezonderd van het toepassingsbereik van Brussel I-bis (acta jure imperii, art. 1 lid 1). Zie nader HvJEG 13 maart 1992, C-282/90, ECLI:EU:C:1992:124, Jur. 1992, p. I-01937 (Vreugdenhil/Commissie), r.o. 14; HvJEU 29 juli 2010, C-377/09, ECLI:EU:C:2010:459, Jur. 2010, p. I-07751; NJ 2010/607, m.nt. M.R. Mok (Hanssens-Ensch), r.o. 17.
HvJEG 24 oktober 1973, C-43/72, ECLI:EU:C:1973:108, Jur. 1973, p. I-01055 (Merkur Außenhandel/Commissie), r.o. 6. Zie voorts HvJEG 12 april 1984, C-281/82, ECLI:EU:C:1984:165, Jur. 1984, p. I-01969 (Unifrex), r.o. 11-12; HvJEG 26 februari 1986, C-175/84, ECLI:EU:C:1986:85, Jur. 1984, p. I-00753 (Krohn), r.o. 26-27; HvJEG 29 september 1987, C-81/86, ECLI:EU:C:1987:393, Jur. 1987, p. I-03677 (De Boer Buizen/Raad en Commissie), r.o. 9. Vgl. reeds HvJEG 14 juli 1967, gevoegde zaken C-5/66, C-7/66 en C-13 t/m C-24/66, ECLI:EU:C:1967:31, Jur. 1967, p. 00245 (Kampffmeyer/Commissie).
Richtlijn 2014/104/EU, art. 11 lid 5 en 6, en Verordening (EU) 2016/679 (AVG), art. 82 lid 5.
Zie voor het mededingingsrecht met name HvJEG 20 september 2001, C-453/99, ECLI:EU:C:2001:465, Jur. 2001, p. I-06297; NJ 2002/43 (Courage/Crehan); HvJEU 13 juli 2006, gevoegde zaken C-295/04 t/m 298/04, ECLI:EU:C:2006:461, Jur. 2006, p. I-06619; NJ 2007/34, m.nt. M.R. Mok (Manfredi); HvJEU 14 maart 2019, C-724/17, ECLI:EU:C:2019:204, NJ 2020/58, m.nt. J.S. Kortmann; JOR 2019/151, m.nt. S.A. van Dijk (Skanska); HvJEU 28 maart 2019, C-637/17, ECLI:EU:C:2019:263, JOR 2019/176, m.nt. C. Spierings (Cogeco); en HvJEU 6 oktober 2021, C-882/19, ECLI:EU:C:2021:800, JOR 2022/22, m.nt. S.A. van Dijk (Sumal). Zie voor het gegevensbeschermingsrecht met name HvJEU 5 juni 2018, C-210/16, ECLI:EU:C:2018:388 (Wirtschaftsakademie Schleswig-Holstein); HvJEU 29 juli 2019, C-40/17, ECLI:EU:C:2019:629 (Fashion ID); en de thans aanhangige prejudiciële procedure met zaaknummer C-300/20 (Österreichische Post).
Zie hiervoor, nr. 8.
Zie hiervoor Asser/Kramer & Verhagen 10-III 2022/676 e.v.
8. Afbakening (materiële burgerlijk recht). De door mij gekozen insteek vereist enerzijds dat het onderzoek breed van opzet is, zodat de verschillende ‘stelsels’ zo goed mogelijk met elkaar kunnen worden vergeleken. Anderzijds is het noodzakelijk om beperkingen aan te brengen, mede gelet op de haalbaarheid van het onderzoek.
Het onderzoek is in de eerste plaats beperkt tot de verschijningsvormen van hoofdelijke aansprakelijkheid in het burgerlijk recht. Dit brengt mee dat bijvoorbeeld hoofdelijke aansprakelijkheid voor fiscale schulden en hoofdelijke aansprakelijkheid in het kader van een strafrechtelijke ontnemingsmaatregel buiten het bestek van dit onderzoek vallen.1 Binnen het Nederlandse burgerlijk recht is in beginsel uitsluitend gekeken naar de regels uit het Burgerlijk Wetboek en de rechtspraak ter interpretatie daarvan, en (dus) niet naar eventuele bijzondere wetgeving waarin ook in hoofdelijke aansprakelijkheid is voorzien. Slechts een enkele verschijningsvorm die wel tot het burgerlijk recht behoort, maar (nog) niet in het BW is opgenomen, komt aan bod.2 Verder richt het onderzoek zich vrijwel uitsluitend op de regels die (ook) voor ondernemingen van belang zijn.3 Ik heb geen volledigheid nagestreefd.
9. Afbakening (Unierecht). Een tweede afbakening ziet op de te bespreken regelingen uit het Unierecht. Hoewel ik mij vooral richt op het secundaire Unierecht, kunnen het kartelverbod en het verbod op misbruik van machtspositie (art. 101 resp. 102 VwEU) in dit onderzoek niet onbesproken blijven. Deze bepalingen vormen niet alleen het fundament voor Richtlijn 2014/104/EU, met regels over hoofdelijke aansprakelijkheid (art. 11 en 19), maar zijn ook de grondslag voor de hoofdelijke aansprakelijkheid die het Hof van Justitie in de arresten Sumal en Tráficos Manuel Ferrer uit art. 101 VwEU heeft afgeleid.4 Omdat het mij gaat hoofdelijke aansprakelijkheid in privaatrechtelijke rechtsverhoudingen, richt ik mij met name op hoofdelijke aansprakelijkheid in het kader van schadevergoeding en bespreek ik de hoofdelijke boeteaansprakelijkheid slechts in dat licht.5 Andere (mogelijke) verschijningsvormen van hoofdelijke aansprakelijkheid in het primaire en secundaire Unierecht vallen buiten het bestek van dit onderzoek, vooral omdat het daarbij doorgaans gaat om (semi-)publiekrechtelijke rechtsverhoudingen.6
De duidelijkste andere verschijningsvorm van hoofdelijke aansprakelijkheid in het primaire Unierecht is de aanvaarding van een ‘beginsel van hoofdelijke aansprakelijkheid’ door de Kamer voor hogere voorzieningen (in ambtenarenzaken) van het Gerecht: “uit de rechtsstelsels van de lidstaten [volgt] een algemeen gemeenschappelijk beginsel op grond waarvan de nationale rechter in omstandigheden als in de onderhavige zaak kan erkennen dat diegenen die samen dezelfde schade hebben veroorzaakt, hoofdelijk aansprakelijk zijn”.7 Deze zaak lijkt – in ieder geval vooralsnog – op zichzelf te staan.
Al in 1989 gaf A-G Van Gerven in zijn conclusie voor Spie-Batignolles/Commissie (C-201/86) het Hof van Justitie in overweging een beginsel van hoofdelijke aansprakelijkheid te aanvaarden als één van “de algemene beginselen welke de rechtstelsels der Lid-Staten gemeen hebben”.8 Het ging daar om samenloop van de aansprakelijkheid van de Unie met die van lidstaten wegens schending van Unierecht. Het Hof van Justitie heeft zich daarover tot op heden niet uitgelaten. Door sommigen wordt hoofdelijke aansprakelijkheid afgeleid uit de bestaande rechtspraak,9 terwijl anderen hoofdelijke aansprakelijkheid juist onmogelijk achten,10 gelet op het ontbreken van procedurele samenloop11 tussen de acties tegen de Unie en lidstaten en het subsidiaire karakter van de aansprakelijkheid van de Unie.12 Tot op heden is een dergelijk algemeen beginsel niet door het Hof van Justitie aanvaard.
Binnen het secundaire Unierecht richt ik mij uitsluitend op verordeningen en richtlijnen, omdat de invloed daarvan gelet op het bindende en algemene karakter groter is dan ander secundair Unierecht (besluiten, aanbevelingen en adviezen)13. Wat verordeningen en richtlijnen betreft, is geen volledigheid nagestreefd, maar is een selectie gemaakt van onderwerpen. De selectie berust op een inschatting van de relevantie van de desbetreffende regeling(en) voor ondernemingen. Die keuze hangt enerzijds samen met de focus van dit onderzoek op het voor ondernemingen relevante burgerlijk recht (zie hiervoor, nr. 8), en anderzijds met de verwachting dat de ingeschatte praktische relevantie de kans vergroot op nuttig bronnenmateriaal.
De regelingen van hoofdelijke aansprakelijkheid in het Unierecht die aan bod zullen komen, zijn achtereenvolgens verschijningsvormen in het vennootschapsrecht, het arbeidsrecht, het productaansprakelijkheidsrecht, het mededingingsrecht en het gegevensbeschermingsrecht. De meeste aandacht zal daarbij uitgaan naar het mededingingsrecht en gegevensbeschermingsrecht. De reden daarvoor is dat de regelgeving op die gebieden niet alleen voorziet in hoofdelijke aansprakelijkheid, maar ook in een verhaalsrecht tussen hoofdelijk schuldenaren.14 Bovendien zijn deze gebieden hard in ontwikkeling, getuige de (tamelijk) recente wetgeving15 en rechtspraak16.
Ik heb niet onderzocht of de door mij geselecteerde onderwerpen representatief zijn voor alle verschijningsvormen van hoofdelijkheid in het Unie(privaat)recht. Deze afbakening brengt mee dat ik geen algemene conclusies kan trekken over hoofdelijke aansprakelijkheid in het Unierecht, maar alleen over de door mij geselecteerde verschijningsvormen. Voorzichtigheid is dus op haar plaats.
10. Afbakening (burgerlijk procesrecht en insolventierecht). Een derde afbakening ziet op de te bespreken regels uit het burgerlijk procesrecht en het insolventierecht. Ook hier heb ik geen volledigheid nagestreefd.
Wat betreft het burgerlijk procesrecht, heb ik ervoor gekozen om de tweepartijenprocedure centraal te stellen, om vervolgens te bezien op welke wijze een (beweerdelijk) hoofdelijk schuldenaar daarin betrokken kan raken. Aan collectieve procedures, zoals de WAMCA, besteed ik niet afzonderlijk aandacht. De reden daarvoor is enerzijds dat de algemene regels die ik bespreek, in een collectieve procedures grotendeels ook van toepassing zullen zijn, terwijl anderzijds het bespreken van de bijzonderheden van de WAMCA voor het beoordelen van (hoofdelijke) aansprakelijkheid een studie op zich zou vereisen. Wel besteed ik aandacht aan de gevolgen van een WCAM- of WAMCA-schikking voor al dan niet in de procedure betrokken hoofdelijk medeschuldenaren.
Wat betreft het insolventierecht is de insteek breed van aard: ik heb geprobeerd om zoveel mogelijk regels te bespreken die van belang zijn voor verhaal jegens of door een hoofdelijk schuldenaar. Gelet op de afbakening van het te bespreken materiële recht,17 namelijk tot de voor ondernemingen relevante rechtsregels, bespreek ik slechts het faillissement, de surseance van betaling en de WHOA, maar laat ik de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen buiten beschouwing.
11. Afbakening (ipr). Een vierde afbakening, ten slotte, is dat internationaal privaatrechtrechtelijke aspecten van hoofdelijke aansprakelijkheid18 in dit onderzoek slechts terloops aan de orde komen. Deze afbakening kent geen inhoudelijke gronden: de enige reden voor deze beperking is gelegen in de omvang van dit onderzoek en de daarvoor beschikbare tijd.