Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/6.6.4.1
6.6.4.1 Gerechten van lidstaten; art. 15 lid 3 Vo-BIIbis
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS437960:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Amerikaanse Uniform Child-Custody Jurisdiction and Enforcement Act (1997), Section 207(a): `A court of this State which has jurisdiction under this [Act] to make a child-custody determination may decline to exercise its jurisdiction at any time if it determines that it is an inconvenient forum under the circumstances and that a court of another State is a more appropriate forum. (...)'
De Engelse tekst heeft het over 'the former habitual residence of the child', de Duitse over 'das Kind seinen gewillmlichen Aufenthalt in diesem Mitgliedstaat hatte' en de Franse over Tenfant a résidé de manière habituelle dans cet État membre'.
Vgl. voor het HMbV 2000 en HKbV 1996: Toel. Rapport Lagarde, 11MbV 2000, nr. 69 resp. Toel. Rapport Lagarde, HKbV 1996, nr. 55.
Zie ook art. 8 lid 2 sub a HKbV 1996; art. 8 lid 2 sub a IlMbV 2000.
In gelijk zin Geimer/Schiltze (Dilger), VO (EG) 2201/2003 (EheVO), Art. 15, Anm. 9. Aldus ook voor het HKbV 1996, Toel. Rapport Lagarde, HKbV 1996, nr. 55.
Zie ook art. 8 lid 2 sub b HKbV 1996; art. 8 lid 2 sub c HMbV 2000. Het Toel. Rapport Lagarde, HKbV 1996, nr. 55, geeft het voorbeeld van het verlenen van autorisatie om tot verkoop van onroerend goed over te kunnen gaan, wanneer dit onroerend goed is gelegen in een andere verdragsstaat dan die waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft.
Kamerstukken 112004/05, 29 981 (R 1782), nr. 3, p. 15-16 (MvT): 'Men is in de verordening (Brussel Ilbis, FI] niet zo ver willen gaan om een willekeurig forum waarmee het kind een nauwe band heeft, bevoegd te verklaren. De mogelijkheden van overdracht van competentie zijn derhalve beperkter dan in het verdrag.'
Aldus ook U.P. Gruber, IPRax 2005, p. 297; M.T. Rauscher, The European Legal Forum 2005, p. 42. Anders: Personen- en familierecht, Th.M. de Boer, Titel 14 Kinderbescherming en gezagsvoorziening in het ipr, A. Brussel II-bis, art. 15, aant. 5.7.1.
Art. 8 lid 2 sub c HKbV 1996 noemt het echtscheidingsforum wel afzonderlijk.
Dit voorbeeld is ontleend aan Toel. Rapport Lagarde, HKbV 1996, nr. 55. Zie ook art. 8 lid 2 sub e HMbV 2000.
Het bevoegde gerecht van een lidstaat ziet af van de behandeling van een zaak, omdat hij van mening is dat het gerecht in een andere lidstaat beter in staat is de zaak te behandelen.1Art. 15 Vo-BI:Ibis staat slechts toe dat de zaak wordt verwezen naar het gerecht in een andere lidstaat waarmee het kind een bijzondere band heeft. De verordening geeft in art. 15 lid 3 een opsomming van lidstaten waarmee het kind geacht wordt een bijzondere band te hebben. Op welk moment in de procedure dient sprake te zijn van een bijzondere band tussen het kind en de lidstaat? Wat is de peildatum? De tekst van de verordening zwijgt hierover, zodat kan worden verdedigd dat de band niet per se behoeft te bestaan bij het aanhangig maken van de procedure, maar ook in de loop van een procedure kan ontstaan (bijvoorbeeld door verkrijging van de nationaliteit van die lidstaat).
Voor een goed begrip geef ik een voorbeeld waarbij ik in het hiernavolgende uitga van een fictieve situatie waarin Spanje de lidstaat is waarmee het kind een bijzondere band heeft. Het kind wordt in dat geval op grond van art. 15 lid 3 Vo-BIlbis geacht een bijzondere band met Spanje te hebben, indien:
het kind na het aanhangig maken van een zaak bij de rechter van een lidstaat die bevoegd is om ten gronde over een zaak te beslissen (bijvoorbeeld Nederland), zijn gewone verblijfplaats in Spanje heeft verkregen;
het kind voordien zijn gewone verblijfplaats in Spanje had.2 Van geval tot geval zal beoordeeld moeten worden of het kind een bijzondere band heeft met de lidstaat waar hij voordien heeft gewoond. Heeft het kind gewone verblijfplaats gehad in meerdere lidstaten, dan zal rekening moeten worden gehouden met onder andere de duur van het verblijf in iedere lidstaat.3 Verder wordt het kind op grond van art. 15 lid 3 sub c Vo-BI:Ibis geacht een bijzondere band met een lidstaat, in mijn voorbeeld Spanje te hebben, indien:
het kind onderdaan van Spanje is;4 heeft het kind de nationaliteit van meerdere lidstaten, dan kunnen naar mijn mening de autoriteiten van iedere lidstaat waarvan het kind onderdaan is geadieerd worden.5 Het aanleggen van een effectiviteits- en realiteitstoets is, gelet op de daarmee gepaard gaande onzekerheid, niet wenselijk.
een van de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen, zijn gewone verblijfplaats in Spanje heeft. Het gaat hierbij om de actuele gewone verblijfplaats van een van hen en anders dan onder sub b niet om de vorige gewone verblijfplaats.
het geschil betrekking heeft op maatregelen ter bescherming van het kind die verband houden met het beheer, de instandhouding van of de beschikking over bestanddelen van het vermogen van het kind die zich in Spanje bevinden.6
Anders dan het HKbV 1996 (art. 8 lid 2 sub d) noemt art. 15 lid 3 Vo-BIlbis niet `de lidstaat waarmee het kind een nauwe band heeft'.7 Uit art. 15 lid 3 Vo-BI:Ibis blijkt evenwel niet dat de opsomming van gronden waaruit een bijzondere band met een lidstaat kan bestaan limitatief is, zodat het kind in principe ook op andere gronden een bijzondere band met een lidstaat kan hebben.8 Te denken valt aan de lidstaat van het echtscheidingsforum, voorzover deze niet samenvalt met een van de reeds genoemde fora.9 Voorts kan worden gedacht aan de lidstaat waar familieleden van het kind of andere personen die in een nauwe relatie tot de minderjarige staan hun woonplaats hebben, en die bereid zijn om de zorg voor het kind op zich te nemen.10 Art. 8 lid 2 sub d HMbV noemt nog een andere lidstaat, die zowel onder de Vo-Brussel Ilbis als het HKbV 1996 ontbreekt. Art. 8 lid 2 sub b HMbV 2000 maakt het mogelijk dat de zaak wordt verwezen naar de door de meerderjarige daartoe schriftelijk aangewezen gerechten van een verdragsstaat.