Einde inhoudsopgave
De rol van Nederlandse werknemers(vertegenwoordigers) bij een grensoverschrijdende juridische fusie (VDHI 119) 2013/4.3.8
4.3.8 Discussie en ontwikkelingen
mr. F.G. Laagland, datum 15-07-2013
- Datum
15-07-2013
- Auteur
mr. F.G. Laagland
- JCDI
JCDI:ADS386166:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
BverfG 1 maart 1979, NJW 1979, 699.
BVerfG 2 maart 1999, ZIP 1999, 410
Oetker (2008), p. 23-24 (Vorbem, Rn. 38).
Raiser & Veil (2009), p. 45 (Einl, Rn. 76).
Bericht der Kommission Mitbestimmung, Mitbestimmung und neue Unternehmenskulturen, Bilanz und Perspektiven, Güterloh: Bertelsmann Stiftung 1998.
Kommission Mitbestimmung, Zur aktuellen Kritik der Mitbestimming im Aufsichtsrat, Hans Böckler Stiftung 2004. De commissie werd op initiatief van de werkgeversorganisatie BDA en BDI ingericht.
Kommission zur Modernisierung der deutschen Unternehmensmitbestimmung, Bericht der Wissenschaftlichen Mitglieder der Kommission mit Stellungnahme der Vertreter der Unternehmen und der Vertreter der Arbeitnehmer, 2006.
Bachmann, Baums & Habersack e.a. (2009), p. 886-899.
Duitsland kent inmiddels ruim vijftig jaar vennootschappelijke medezeggenschap. Vanaf het eerste moment heeft het onderwerp pennen in beweging gebracht. De discussie richtte zich in eerste instantie op het MitbestG en de samenstelling van de Aufsichtsrat. Al snel na de inwerkingtreding van het MitbestG werd gesteld dat het pariteitsmodel in strijd zou zijn met het Grundgesetz (GG), meer specifiek het recht van eigendom zoals neergelegd in Art. 14 GG. In 1979 oordeelde het Bundesverfassungsgericht (BVG) dat van strijd geen sprake was.1 De belangrijkste reden was dat het MitbestG door de tweede stem van de voorzitter geen meerderheid aan de werknemers toekent. De Aufsichtsrat kan zodoende bij eenstemmigheid aan de zijde van het deel dat het kapitaal vertegenwoordigt geen besluiten nemen tegen de wil van de aandeelhouders. Over het Montan-MitbestG heeft het BVG zich nog niet uitgelaten. Anders dan bij het MitbestG is in het Montan-MitbestG het elfde lid neutraal. Dit maakt een besluit tegen de wil van de aandeelhouders mogelijk. Het BVG beschouwde in 1999 het verschil tussen beide wetten niet aanzienlijk.2 Het is daarom de verwachting dat ook het Montan-MitbestG niet in strijd zal zijn met Art. 14 GG.3
Ook na 1979 bleef het MitbestG ter discussie staan. Vragen zijn gesteld over nut en noodzaak, maar ook over de houdbaarheid van het systeem gezien de almaar toenemende globalisering.4 De idee heerst dat het Duitse medezeggenschapsrecht – en dan met name het MitbestG – buitenlandse vennootschappen remt zich in Duitsland te vestigen en Duitse vennootschappen ertoe brengt naar het buitenland te vertrekken. De Europese ontwikkelingen op het terrein van de vrijheid van vestiging spelen in de discussie een essentiële rol.
Reeds meerdere keren zijn veranderingen in het medezeggenschapssysteem voorgesteld. Een door de Bertelsmann Stiftung en de Hans Böckler Stiftung in het leven geroepen commissie concludeerde in 1998 dat de medezeggenschap had bijgedragen aan een coöperatieve cultuur binnen ondernemingen, maar op een aantal punten verbetering behoefde.5 De verbeteringen hadden betrekking op de kiesprocedure, de grootte van de Aufsichtsrat en de vertegenwoordiging van buitenlandse werknemers. Ook de Kommissie Mitbestimmung uit 2004 was voor behoud van medezeggenschap, maar achtte modernisering noodzakelijk om dit wereldwijd unieke (en geïsoleerde) systeem aan de internationale ontwikkelingen aan te passen.6 De oplossing werd gevonden in een medezeggenschapsmodel dat uitging van onderhandelingen.
Ook op regeringsniveau kreeg het onderwerp aandacht. Het meest recente regeringsinitiatief stamt uit 2005. De toenmalige Bondskanselier Schröder stelde een medezeggenschapscommissie in genaamd de Kommission zur modernisierung der deutschen Unternehmensmitbestimmung. Deze commissie stond onder leiding van oud-president Biedenkopf en bestond uit drie leden van werkgeverszijde, drie leden van werknemerszijde, de gewezen president van het Bundesarbeitsgericht en het hoofd van het Max Planck-Instituut voor vennootschapsrecht. De commissie had tot doel een concept te ontwikkelen voor een vernieuwd en modern medezeggenschapsrecht. Na de verkiezingen erkende ook de regering onder Bondskanselier Merkel de noodzaak tot modernisering en handhaafde de opdracht. In 2006 presenteerde de commissie haar rapport.7 Het resultaat was teleurstellend. De commissie bleek niet in staat een eenduidig advies te geven. De drie neutrale leden stelden maatregelen voor op het punt van flexibilisering, globalisering en het toepassingsbereik. De leden aan werkgevers- en werknemerszijde namen een eigen stellingname in. Het voorstel van werkgeverszijde maakte onderhandeligen over de medezeggenschap mogelijk waarbij de vorm uit het DrittelbG als vangnet fungeerde. Daarnaast moesten buitenlandse werknemers een stem krijgen in de Aufsichtsrat en moest medezeggenschap in een monistische bestuursstructuur mogelijk worden. Hoewel ook de leden van werknemerszijde open stonden voor een onderhandelingsmodel, weigerden zij te tornen aan het pariteitsmodel van het MitbestG. De leden waren bovendien tegen een vertegenwoordiging van buitenlandse werknemers zonder instemming van de vakbonden.
Het ontbreken van consensus had tot gevolg dat het onderwerp medezeggenschap van de politieke agenda verdween. Dat neemt niet weg dat de druk die de Europese ontwikkelingen heeft op het medezeggenschapsrecht blijft bestaan en in de toekomst slechts zal toenemen. Dit werd onderkend door zeven onafhankelijke hoogleraren. Deze Arbeitskreis stelde in 2009 een ontwerpwet op tot verbetering van de medezeggenschap.8 De belangrijkste aanpassingen betroffen (i) de mogelijkheid in een AG bij overeenkomst medezeggenschap vast te stellen en (ii) het betrekken van buitenlandse werknemers bij de medezeggenschap. Of dit voorstel daadwerkelijk tot een aanpassing zal leiden, is de vraag. Tot op heden heeft de regering aan het voorstel geen vervolg gegeven.