Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/3.4.3.6
3.4.3.6 Vorderingen tot vergoeding van “schade”
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS480518:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Zie art. 3:310 lid 1 BW; HR 4 juni 2004, NJ 2006/323, m.nt. J. Hijma (Camerling/ Heerlen) en HR 6 april 2012, JOR 2014/172, m.nt. N.E.D. Faber & N.S.G.J. Vermunt (ASR/Achmea).
HR 24 mei 1991, NJ 1992/246, m.nt. P. van Schilfgaarde (Ontvanger/AMRO)
Anders: Verhagen/Rongen 2000, p. 68. Volgens Verhagen en Rongen is een dergelijke algemene uitleg van het arrest onwenselijk. Het plegen van de onrechtmatige daad zou voldoende moeten zijn om het bestaan van een schadevergoedingsvordering aan te nemen.
Zie Rongen 2012/865, met verdere verwijzingen.
HR 19 december 2014, JOR 2015/213, m.nt. S.R. Damminga, NJ 2015/168, m.nt. F.M.J. Verstijlen (X/Benedictus q.q.). Zie ook TM, Parl. Gesch. Boek 6, p. 805. Vgl. HR 19 juni 2015, NJ 2015/413, m.nt. F.M.J. Verstijlen (X/Haarlem) over een publiekrechtelijke terugvordering voor ten onrechte genoten bijstandsuitkeringen.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II 2013/39 en 43. Zie ook Klaassen 1998. Vgl. MvA II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 475, ten aanzien van de opeisbaarheid van een schadevergoedingsvordering.
Zie Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II 2013/35-36 voor een bondig overzicht van de jurisprudentie op dit punt.
Vgl. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II 2013/43; en HR 11 juli 2003, NJ 2003/603 (Visser/Van Tusschenbroek).
Zie art. 6:91, in fine, BW en Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2012/414.
HR 5 januari 1990, NJ 1990/325 (Dubbeld/Laman). Het betrof hier de aansprakelijkheid van voormalig echtgenoten voor gemeenschapsschulden op grond van art. 1:102 BW.
HR 19 april 2002, NJ 2002/456, m.nt. M.M. Mendel (Zürich/Lebosch). Deze voorwaarden gelden onafhankelijk van de vorm en tenaamstelling van de polis.
Asser/Wansink, Van Tiggele & Salomons 7-IX* 2012/22; Asser/Van Mierlo & Van Velten 3-VI* 2010/ 81; Verhagen & Rongen 2000, p. 46; en Wery/Mendel 2010, p. 6-7. Zie ook A-G Franx, in zijn conclusie voor HR 8 december 1989, NJ 1990/747, m.nt. W.M. Kleijn ((WUH c.s./Union Atlantique c.s.), onder 3.1; Mendel, in zijn noot bij HR 19 april 2002, NJ 2002/456 (Zürich/Lebosch), onder 6; en A-G Bakels, in zijn conclusie voor datzelfde arrest, onder 2.10.
Mijnssen 1988, p. 13-14 en 18; Van Hees 1997, p. 126. Met twijfel: Rongen 2012/865. In deze zin ook Hof ’s-Hertogenbosch 29 juli 1992, NJ 1993/310 (NMB Postbank Groep/Kézér q.q.). Vgl. A-G Hartkamp in zijn conclusie voor HR 23 december 1988, NJ 1989/700, m.nt. E.A.A. Luijten (Verevening invaliditeitspensioen), onder 5.
Van Boom 1993, p. 722.
Vgl. A-G Hartkamp in zijn conclusie voor HR 23 december 1988, NJ 1989/700, m.nt. E.A.A. Luijten (Verevening invaliditeitspensioen), onder 5; en Asser/Van Mierlo & Van Velten 3-VI* 2010/81.
Zie Bergervoet 2014/242 e.v. voor een bondig overzicht.
HR 13 november 1903, W 1903/7986 (De Veije q.q./Waterreus) en HR 8 november 1974, NJ 1975/268.
Zie HR 3 juni 1994, NJ 1995/340 (Antillen/Komdeur q.q.); en HR 3 mei 2002, JOR 2002/111, m.nt. F.J.P. van den Ingh en m.nt. J.J. van Hees, NJ 2002/393, m.nt. P. van Schilfgaarde (Brandao/Joral).
Bergervoet 2014/244, met verdere verwijzingen.
HR 9 juli 2004, JOR 2004/222, m.nt. J.J. van Hees, NJ 2004/618, m.nt. P. van Schilfgaarde (Bannenberg q.q./NMB-Heller).
HR 6 april 2012, JOR 2014/172, m.nt. N.E.D. Faber & N.S.G.J. Vermunt (ASR/ Achmea). Vgl. ook HR 9 januari 1987, NJ 1987/506, m.nt. W.C.L. van der Grinten (Delta Lloyd/Zwolsche Algemeene); HR 18 december 1992, NJ 1993/734, m.nt. P. van Schilfgaarde (Harko/Groen-Kelderman q.q.) en HR 6 juni 2008, JOR 2008/ 243, m.nt. E. Loesberg, NJ 2010/12, m.nt. J. Hijma (Bras/Satisfactorie).
De suggestie van de Hoge Raad in het arrest ASR/Achmea, onder verwijzing naar de voornoemde Antilliaanse zaken en het arrest Bannenberg q.q./NMBHeller, dat hij nimmer anders heeft geoordeeld, is mijns inziens niet overtuigend. Zie Wibier 2012, p. 150-154 voor een poging om de onderlinge verenigbaarheid van deze arresten aan te tonen. Vgl. Bergervoet 2014/247. Uit HR 16 oktober 2015, JOR 2016/20, m.nt. N.E.D. Faber & N.S.G.J. Vermunt (De Lage Landen/Van Logtestijn q.q.), r.o. 3.3.2, volgt dat de Hoge Raad in het arrest Bannenberg q.q./ NMB-Heller slechts heeft geoordeeld over een contractuele regresvordering.
HR 6 april 2012, JOR 2014/172, m.nt. N.E.D. Faber & N.S.G.J. Vermunt (ASR/Achmea).
HR 14 september 2012, JOR 2012/346, m.nt. A.J. Tekstra (Staatssecretaris van Financiën/X).
Zo ook Faber en Vermunt, in hun noot bij HR 6 april 2012, JOR 2014/172 (ASR/Achmea).
HR 16 oktober 2015, JOR 2016/20, m.nt. N.E.D. Faber & N.S.G.J. Vermunt (De Lage Landen/Van Logtestijn q.q.), r.o. 3.3.2. In deze zin ook Rb. Amsterdam 27 augustus 2014, JOR 2014/318, m.nt. A. Steneker (ING Commercial Finance/Ingwersen q.q.). Zie ook Verdaas 2014/23-29; en Rongen 2013, p. 8.
Zie over de beïnvloeding van het ontstaansmoment ook nr. 124.
98. Het ontstaansmoment van een “schadevergoedingsvordering” is afhankelijk van de meer specifieke aard van de betrokken vordering. Hierna komen achtereenvolgens aan bod het ontstaansmoment van de schadevergoedingsvordering op grond van een wettelijke verplichting, de vordering uit een boetebeding, de uitkeringsvordering uit hoofde van een schadeverzekering en de regresvordering van de hoofdelijk schuldenaar. Het begrip schadevergoedingsvordering wordt dus in een ruime betekenis gehanteerd. Zo kan het de vordering uit een boetebeding immers ontberen aan een schadevergoedend karakter en ziet de regresvordering van de hoofdelijk schuldenaar vooral op een bijdrageverplichting. Ondanks deze kanttekeningen is het nuttig om de voornoemde vorderingen gegroepeerd te handelen. Daarbij komt dat de vordering uit boetebeding en de regresvordering van de hoofdelijk schuldenaar beide onder het verjaringsregime van art. 3:310 BW vallen en zij aldus te beschouwen zijn als “schadevergoedingsvorderingen” in de zin van die bepaling.1
– Schadevergoedingsvordering uit hoofde van wettelijke aansprakelijkheid
99. De vordering krachtens een wettelijke verplichting tot schadevergoeding, wordt gereguleerd door afd. 6.1.10 BW. Over haar ontstaansmoment zwijgt de wet echter. Ten aanzien van de schadevergoedingsvordering uit hoofde van onrechtmatige daad (art. 6:162 BW) heeft de Hoge Raad in het arrest Ontvanger/AMRO overwogen dat voor het ontstaan van deze vordering is vereist dat schade is geleden.2 De vordering ontstaat dus niet noodzakelijkerwijs op het moment dat de onrechtmatige daad is gepleegd, maar eerst bij vervulling van alle overige door de wet gestelde vereisten, waaronder de eis van geleden schade.3 Niet vereist is dat de omvang van de schade al precies vaststaat. Hetzelfde mag worden aangenomen voor andere schadevergoedingsvorderingen die binnen het bereik van afd. 6.1.10 BW vallen, zoals vorderingen uit hoofde van wanprestatie (art. 6:74 BW) of ongerechtvaardigde verrijking (art. 6:212 BW).4
Voor een ongedaanmakingsvordering uit hoofde van onverschuldigde betaling – strikt genomen geen schadevergoedingsvordering – heeft de Hoge Raad bepaalt dat het uitgangspunt van art. 6:203 BW is dat een recht op terugvordering ontstaat op het ogenblik waarop jegens een ander zonder rechtsgrond wordt gepresteerd.5
Het verdient opmerking dat de wijze van schadeberekening invloed kan uitoefenen op het ontstaansmoment van de schadevergoedingsvordering.6 In beginsel wordt de schade gesteld op de in concreto gemaakte kosten. In dat geval ontstaat de schadevergoedingsvordering op het moment dat de benadeelde deze kosten maakt of verschuldigd wordt. Het ligt anders indien de schade op abstracte wijze – volgens objectieve maatstaven – wordt vastgesteld, zoals bij zaakschade.7 Bij deze abstracte schadeberekening wordt geen rekening gehouden met de omstandigheden en bijzonderheden van het desbetreffende geval, maar wordt berekend hoe groot in het algemeen de schade is van een schuldeiser die in een soortgelijke positie verkeert als de benadeelde. De vordering tot schadevergoeding ontstaat in dat geval reeds op het moment waarop de vermogensvermindering plaatsvindt. Dit is in de regel het moment van de schadeveroorzakende gedraging.8 Ten slotte kan toekomstige schade door de rechter worden begroot (art. 6:105 BW). Indien de toekomstige schade op een bedrag ineens wordt begroot dan moet zij geacht worden te zijn geleden op het tijdstip dat bij de berekening als peildatum is gebruikt. Indien deze schade wordt begroot op periodieke betalingen, dan ontstaan de vorderingen steeds op het tijdstip dat de periodieke bedragen verschuldigd worden.9
– Boetebeding
100. Nauw verwant aan de schadevergoedingsvordering is de vordering uit een boetebeding, zoals bedoeld in art. 6:91 BW. Deze vordering kan strekken tot (een fixeerde) schadevergoeding, maar ook enkel tot aansporing van nakoming (boete).10 Indien partijen een boetebeding overeenkomen, leidt dit niet onmiddellijk tot het ontstaan van een vordering. Volgens de Hoge Raad ontstaat “een vordering die afhankelijk is van de wanprestatie van de schuldenaar ten aanzien van de nakoming van de verbintenis waarop de boete is gesteld, eerst door die wanprestatie”. Tot het plaatsvinden van de wanprestatie is geen sprake van een reeds bestaande voorwaardelijke vordering.11
– Schadeverzekering
101. Een schadevergoedingsvordering kan ook voortvloeien uit een overeenkomst van schadeverzekering (art. 7:944 BW). Het ontstaansmoment van deze uitkeringsvordering is niet uitdrukkelijk aan bod gekomen in de rechtspraak van de Hoge Raad. In het kader van een beroep op art. 251 WvK (oud) (thans: art. 7:928 BW) heeft de Hoge Raad in het arrest Zürich/Lebosch echter overwogen dat voor het intreden van de betalingsverplichting van de verzekeraar aan de verzekerde aan bepaalde voorwaarden dient te zijn voldaan, zoals het intreden van het onzekere voorval waartegen is verzekerd en het optreden van schade in het verzekerd belang.12 Hieruit kan niet met zekerheid worden afgeleid of vóór de vervulling van de genoemde “voorwaarden” de uitkeringsvordering is aan te merken als een toekomstige of als een bestaande voorwaardelijke vordering. De literatuur is bovendien verdeeld over de kwalificatie. Een deel van de literatuur beschouwt de uitkeringsverplichting van de verzekeraar als een voorwaardelijke verbintenis.13 De verzekeraar verbindt zich immers tegen het genot van een premie tot uitkering indien zich een onzeker risico verwezenlijkt (vgl. art. 7:925 lid 1 BW). De uitkeringverplichting zou daarmee haast het prototype zijn van de verbintenis onder opschortende voorwaarde, waarvan de werking afhankelijk is gesteld van een onzekere toekomstige gebeurtenis. Een ander deel van de literatuur beschouwt de uitkeringsvordering simpelweg als een toekomstige vordering die eerst ontstaat zodra onder meer het verzekerde voorval zich voordoet.14 Een tussenpositie wordt ingenomen door Van Boom die een voorwaardelijke vordering wil aannemen ten aanzien van de verwezenlijking van het verzekerde risico in een bepaald verzekerd tijdvak, voor zover de verzekeringnemer zijn premieverplichting over dat tijdvak heeft voldaan.15 Ik meen dat de uitkeringsvordering uit een schadeverzekering moet worden gezien als een toekomstige vordering die eerst ontstaat bij het intreden van het onzekere voorval waartegen is verzekerd en het optreden van schade in het verzekerde belang. De factoren uit het arrest Zürich/Lebosch zijn in zoverre te zien als ontstaansvereisten voor de uitkeringsvordering. Deze kwalificatie doet recht aan de hoogst onzekere aard van de vordering. Het daadwerkelijk verschuldigd worden van de uitkering is naar haar aard niet bijzonder waarschijnlijk. De reden om de afhankelijkheid van de toekomstige onzekerheid niet als een voorwaarde te duiden, ligt in de omstandigheid dat de uitkering onder een schadeverzekering niet slechts afhankelijk is van de verwezenlijking van dit risico, maar mede van de vervulling van andere wettelijke en contractuele verplichtingen, zoals de betaling van premie door de verzekeringnemer.16
In het kader van een cessie of verpanding bij voorbaat zal de vraag naar het ontstaansmoment van de uitkeringsvordering uit schadeverzekering zich praktisch niet vaak voordoen. Voor cessie kan worden gewezen op de regel dat de verzekering het verzekerde belang volgt. Bij een overdracht van een verzekerde zaak (of beperkt recht daarop) gaat de verzekering, voor zover zij de zaak dekt, in principe over op de verkrijger (art. 7:948 lid 1 BW). Het recht op uitkering gaat aldus van rechtswege over op de verkrijger, zonder noodzaak tot een cessie door de vervreemder aan hem van de eventuele uitkeringsvordering. Voor verpanding komt groot belang toe aan de substitutieregel van art. 3:229 BW. Op grond van deze bepaling brengt een pand- of hypotheekrecht van rechtswege mee een recht van pand op alle vorderingen tot vergoeding die in de plaats van het verbonden goed treden, waaronder – allereerst – begrepen vorderingen uit schadeverzekering van het desbetreffende goed. Het vervangende pandrecht ontstaat van rechtswege, zodat niet relevant is of de verzekerde zijn uitkeringsvordering heeft verpand aan de pand- of hypotheekhouder en of de vordering bijvoorbeeld eerst tijdens het faillissement van de verzekerde opkomt.
– Regres (van hoofdelijke schuldenaren)
102. Een borg of hoofdelijke schuldenaar die een groter deel van de schuld aan de schuldeiser voldoet dan waarvoor hij intern draagplichtig is, heeft op grond van de wet ten aanzien van dit meerdere een regresrecht jegens, respectievelijk, de hoofdschuldenaar of zijn medeschuldenaren.17 De kwalificatie van deze regresvordering vóór het tijdstip van betaling als een bestaande voorwaardelijke of als een vooralsnog toekomstige vordering kent een bewogen geschiedenis.18 Onder de vigeur van het voormalige BW werd de regresvordering (van de borg) geconstrueerd als een vordering onder opschortende voorwaarde van betaling.19 Na invoering van het huidige BW werd deze lijn doorgezet in de rechtspraak van de Hoge Raad in enkele Antilliaanse zaken.20 In de literatuur ontstond, onder aanvoering van Faber en met een beroep op de wettekst en parlementaire geschiedenis, in toenemende mate kritiek op de kwalificatie van de regresvordering vóór het tijdstip van betaling als een voorwaardelijke vordering.21 Niettemin en onder verwijzing naar deze Antilliaanse zaken merkte de Hoge Raad in het arrest Bannenberg q.q./NMB-Heller de regresvordering uit hoofde van een overwaarde-arrangement aan als een reeds bestaande vordering onder opschortende voorwaarde.22 Het omslagpunt kwam met het arrest ASR/Achmea.23 Hoewel de kern van de zaak zich toespitste op de verjaring van de regresvordering van een hoofdelijk schuldenaar op grond van art. 6:10 BW, wijdt de Hoge Raad ook uitdrukkelijk een overweging aan het ontstaansmoment van deze vordering. Anders dan uit de voornoemde arresten werd afgeleid, is volgens Hoge Raad tot het tijdstip van betaling geen sprake van een voorwaardelijke vordering.24 De regresvordering ontstaat pas indien de hoofdelijk verbonden schuldenaar de schuld voldoet voor meer dan het gedeelte dat hem aangaat, aldus de Hoge Raad. Met andere woorden, de regresvordering ontstaat door betaling van hetgeen de interne draagplicht van de schuldenaar overstijgt. Tot het tijdstip van deze betaling is de regresvordering een toekomstige vordering en niet een reeds bestaande voorwaardelijke vordering. Redengevend voor de Hoge Raad is onder meer de tekst van art. 6:10 lid 2 BW en art. 6:11 lid 1 en 3 BW en het bestaan van de art. 6:8 BW en 7:865 BW, die overbodig zouden zijn indien de hoofdelijk verbonden schuldenaar reeds voor de betaling een (voorwaardelijk) schuldeiser van zijn medeschuldenaren zou zijn.25 Voor de regresvordering van de borg ex art. 7:866 BW jo. 6:10 BW geldt hetzelfde ontstaansmoment.26 Meer in het algemeen mag voor alle wettelijke regresvorderingen als uitgangspunt worden aangenomen dat zij eerst ontstaan door betaling door de (regresgerechtigde) schuldenaar voor meer dan het gedeelte dat hem aangaat.27
103. Een regresvordering kan tussen de schuldeiser en schuldenaar zijn bedongen. Een dergelijke contractuele regresvordering kan bijvoorbeeld worden overeengekomen in het kader van een overwaarde-arrangement of een (opdracht tot het stellen van een) onafhankelijke bankgarantie. Voor het ontstaansmoment van een contractuele regresvordering ligt het in de rede om aansluiting te zoeken bij het ontstaansmoment van de wettelijke variant. De vordering ontstaat als uitgangspunt zodra de regresgerechtigde schuldeiser betaalt (en voorts aan de overige bedongen vereisten voor het regres is voldaan). Het ontstaansmoment van een contractuele regresvordering loopt echter niet steeds parallel met die van een wettelijke regresvordering. Volgens de Hoge Raad verzet de wet zich niet ertegen dat bij overeenkomst een voorwaardelijke regresvordering (onder opschortende voorwaarde van betaling) in het leven wordt geroepen, naast een eventuele toekomstige wettelijke regresvordering.28 Het staat partijen dus vrij om met onmiddellijk effect een voorwaardelijke regresvordering te laten ontstaan.29