Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/5.4.3.3
5.4.3.3 Vernieuwbouwbeoordeling per gedeelte gebouw?
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291464:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
B.G. van Zadelhoff, ‘Zelfstandig in aanmerking te nemen (gedeelte van een) gebouw’, FBN 2003/9-56 en Van Zadelhoff, noot bij HR 8 maart 2013, nr. 12/02061, BNB 2013/110.
Van Zadelhoff heeft blijkens zijn noot bij HR 8 maart 2013, nr. 12/02061, BNB 2013/110 moeite met die lijn, omdat één gebouw niet voor een beetje vervaardigd kan zijn. Naar zijn mening is dit slechts anders als het betreffende gedeelte van een gebouw voor de btw als een afzonderlijk goed kwalificeert. Naar zijn mening biedt art. 15 lid 2, onderdeel a Btw-richtlijn de mogelijkheid om een appartementsrecht gelijk te stellen met een goed, maar heeft Nederland van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Naar mijn mening is uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie en de Hoge Raad af te leiden dat de overdracht van een appartementsrecht de levering van een (afzonderlijk) onroerend goed is (zie paragraaf 4.2.3.3.2). Wordt daarvan uitgegaan, dan is naar ik meen het bezwaar van Van Zadelhoff tegen de lijn van de Hoge Raad van tafel.
In de literatuur lijkt het zelfstandig in aanmerking nemen van een gedeelte van een gebouw bij de levering van een gebouw niet ter discussie te staan. Anders is dat met betrekking tot de vraag of dit ook dient te geschieden bij de beoordeling of door een verbouwing van (een gedeelte van) een gebouw een nieuw (gedeelte van een) gebouw is ontstaan. Van Zadelhoff meent dat bij de ‘vernieuwbouwbeoordeling’ niet enkel het (op)geleverde gedeelte van het gebouw, maar het gehele gebouw in ogenschouw moet worden.1 Uit art. 12 lid 2, tweede alinea Btw-richtlijn volgt dat het criterium voor nieuwe gebouwen, in beginsel de eerste ingebruikneming, ook mag worden toegepast op de verbouwing van gebouwen. Moet uit het feit dat gedeelten van gebouwen niet worden genoemd, worden afgeleid dat voor de vernieuwbouwbeoordeling altijd het gehele gebouw in aanmerking moet worden genomen (de zogenoemde ‘complexbenadering’)? Naar mijn mening niet. Op grond van art. 12 lid 2, tweede alinea Btw-richtlijn mag het criterium voor nieuwe gebouwen, in beginsel de eerste ingebruikneming, ook op verbouwingen worden toegepast en uit art. 12 lid 1, onderdeel a Btw-richtlijn blijkt dat voor dit criterium gebouwen en gedeelten van gebouwen worden onderscheiden.
Hierbij dient wel een kanttekening te worden geplaatst. Een vernieuwbouwbeoordeling op het niveau van het gedeelte van een gebouw (de zogenoemde ‘unitbenadering’) veronderstelt dat dit gedeelte er reeds vóór de verbouwing was. Is het te leveren gedeelte door de verbouwing ontstaan, dan zal naar mijn mening moeten worden teruggevallen op de vernieuwbouwbeoordeling op ‘gebouwniveau’ (de complexbenadering). Zie ik het goed dan is dit ook de lijn van de Hoge Raad.2 Naar mijn mening is die lijn ook wenselijk. Indien een gedeelte van een gebouw op zichzelf genomen weer als nieuw moet worden beschouwd, dan is het in overeenstemming met de ratio van art. 135 lid 1, onderdeel j Btw-richtlijn om de levering van dit gedeelte aan btw-heffing te onderwerpen (zie paragraaf 5.3). Omgekeerd is het naar mijn mening niet in overeenstemming met de ratio van art. 135 lid 1, onderdeel j Btw-richtlijn om een gedeelte van een gebouw dat op zichzelf genomen niet nieuw geworden is in de btw-heffing te betrekken vanwege de enkele omstandigheid dat het gebouw door de verbouwing als geheel genomen als een nieuw gebouw kwalificeert. Hierbij kan gedacht worden aan een kantoorgebouw met meerdere verdiepingen waarbij de kantoorruimte op de begane grond (nagenoeg) intact blijft en waarbij de verdiepingen daarboven wordt getransformeerd in woonappartementen en op het bestaande gebouw twee nieuwe bouwlagen met woonappartementen wordt gerealiseerd. In dat geval hebben de (waardetoevoegende) verbouwingswerkzaamheden (nagenoeg) uitsluitend betrekking op de transformatie van de daarboven gelegen verdiepingen en niet op de kantoorruimte op de begane grond. Die kantoorruimte is nog steeds aan te merken als een oud gedeelte van gebouw waardoor de levering hiervan naar mijn mening op grond van art. 135 lid 1, onderdeel j Btw-richtlijn in beginsel vrijgesteld moet zijn.