Het juridische begrip van godsdienst
Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/12.1:12.1 Inleiding
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/12.1
12.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS451608:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie Remmelink, AA 2003/AA20030007.
Vgl. De Hullu 2015, p. 305. Overigens bespreek ik de (religieuze) leerplichtbezwaren in 18.3.
HR 16 januari 1968, NJ 1969, 2.
Ten Voorde 2015.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Verdachten die zich verweren met het argument dat hun strafbare gedragingen zijn ingegeven door godsdienstige gedrevenheid worden wel overtuigingsdaders genoemd. Een bekende overtuigingsdader was Luther. Bekend is zijn uitspraak ‘Hier sta ik, ik kan niet anders, God helpe mij’ die hij in 1521 deed voor de Rijksdag te Worms, nadat men hem had verzocht zijn ketterse geschriften te herroepen.1 Hoewel de boodschap en de daden van Luther op geen enkele manier zijn te vergelijken met die van de moslimterroristen waaronder de huidige westerse samenlevingen gebukt gaan, is er wel een element dat zowel Luther als deze moslimterroristen met elkaar gemeen hebben. Beiden worden bewogen door een religieuze overtuiging waaraan ze geen weerstand (zeggen) te kunnen bieden. Met het oog op het opkomend moslimterrorisme is het daarom niet onaannemelijk dat de rechtsorde in de toekomst vaker met dergelijke daders zal worden geconfronteerd. Een beroep op een strafuitsluitingsgrond zal voor hen echter weinig kans van slagen hebben. In de jurisprudentie ben ik een succesvol beroep op een strafuitsluitingsgrond vanwege religieuze gedrevenheid niet tegengekomen.2 Wel zijn er zaken waarin de Hoge Raad stelt dat een beroep op een godsdienstig motief moet worden opgevat als een beroep op strafuitsluitingsgrond. Zo oordeelde de Hoge Raad in 1968 dat de overtreding van een verbod tot een optocht (APV Amsterdam) door een quaker (aanhanger van een christelijke denominatie) vanwege ‘persoonlijke godsdienstige gedrevenheid’ door de rechtbank kon worden opgevat als een beroep op psychische overmacht (artikel 40 Sr). Desondanks oordeelde de Hoge Raad dat de rechter het beroep terecht had verworpen omdat volgens hem de overtuigingen van de verdachte niet van een dermate dwingende aard waren dat ze een situatie van overmacht opleverden.3
In de recente literatuur worden twee typen overtuigingsdaders onderscheiden: zij die een wettelijk verbod overtreden en zij die weigeren te voldoen aan een wettelijke plicht (een gebod). In het eerste geval spreekt men over gewetensdrang en in het tweede geval van gewetensbezwaar.4 In de meeste gevallen waarin religie als verweer wordt ingeroepen, wordt een beroep gedaan op de schulduitsluitingsgrond psychische overmacht. Het gaat immers vaak om een verdachte die stelt dat hij blootstond aan een ‘religieuze gewetensdrang’ of werd weerhouden door een ‘religieus gewetensbezwaar’ waardoor hij zich gedwongen voelde een strafbaar feit te plegen. Paragraaf 12.2 gaat over de vraag of een religieus gewetensbezwaar of gewetensdrang überhaupt gerubriceerd kan worden als een beroep op psychische overmacht. In paragraaf 12.3 ga ik meer specifiek in op de wijze van kwalificeren van het religieuze element in een beroep op psychische overmacht (en andere strafuitsluitingsgronden) vanwege een godsdienstig motief. Paragraaf 12.4 sluit af met een conclusie.