Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/5.4.3
5.4.3 Rentefunctie (pactum antichreticum)
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264531:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Cape Provincial Division 7 juli 1997, Weider Health & Fitness Centre, 1997 (SA) 646 (C), p. 654; Wille/Scott & Scott 1987, p.; Van der Merwe 1989, p. 626, 652, 658 en 664; Kritzinger 1999, p.; Wille/Du Bois e.a. 2007, p. 633 en 647; Lubbe & Scott 2008, nr. 365 en 426-427; Silberberg & Schoeman/Badenhorst, Pienaar & Mostert 2015, p. 393; Brits 2016, p. 142-143.
Wille/Scott & Scott 1987, p. 140; De Wet & Van Wyk 1992, p. 410; Van der Merwe 1989, p. 635 en 664; Wille/Du Bois e.a. 2007, p. 647 en 649; Lubbe & Scott 2008, nr. 360; Brits 2016, p. 145.
Supreme Court of Appeal 13 september 2007, Brummeria, 2007 (6) SA 601 (SCA), p. 604.
Supreme Court of Appeal 13 september 2007, Brummeria, 2007 (6) SA 601 (SCA), p. 604.
Titus 2012, p. 243-244.
Titus 2012, p. 244.
Titus 2012, p. 244. Zie ook: Schoeman 2008, p. 39-40.
Een recht van pandgebruik heeft een rentefunctie indien partijen dit zijn overeengekomen in een pactum antichreticum. Zonder een daartoe strekkend beding in de pandovereenkomst kan een recht van pandgebruik naar Zuid-Afrikaans recht geen rentefunctie hebben.
Door een rentefunctie overeen te komen, wijken partijen af van twee regels die van toepassing zijn op iedere zekerheidsgerechtigde die in possession is van het onderpand. Ten eerste wijken zij af van de regel dat de pandhouder het onderpand niet in zijn eigen voordeel mag gebruiken. Als een recht van pandgebruik een rentefunctie heeft, komt de vruchtopbrengst de pandgebruiker immers toe als rente. Dit geldt ongeacht de hoogte van de opbrengst die de pandgebruiker door gebruik en vruchttrekking heeft gerealiseerd.1 In dit geval gebruikt de pandgebruiker het onderpand dus wel degelijk in zijn eigen voordeel: van de gebruiksopbrengst hoeft hij niets ten goede te laten komen aan de pandgever.
Voorts wijken partijen door een recht van rentepandgebruik te vestigen af van de regel dat de pandgebruiker verplicht om de vruchten van het onderpand te trekken. De rentepandgebruiker hoeft ook geen rekening en verantwoording af te leggen van de wijze waarop hij zijn bevoegdheid tot pandgebruik heeft uitgeoefend. De pandgever heeft immers geen belang bij de hoogte van de opbrengst die de pandgebruiker in de uitoefening van zijn bevoegdheid realiseert: de opbrengst komt ten goede aan de pandgebruiker en niet aan de pandgever.2
De zaak Brummeria biedt een voorbeeld van de toepassing van een recht van rentepandgebruik in de Zuid-Afrikaanse rechtspraktijk. De transactie waar deze zaak om ging, heb ik uiteengezet in §5.3.3. Ter illustratie citeer ik hier nogmaals de bedingen waaruit blijkt dat tussen Brummeria en de gepensioneerde schuldeiser een recht van rentepandgebruik, aangeduid als lewensreg, werd gevestigd op een perceel:
“[a]s teenprestasie vir die lening onderneem die maatskappy om aan die okkupeerder lewensreg van die eenheid te verleen”3
Dit lewensreg hield een recht van bewoning in ten gunste van de gepensioneerde:
“[die] reg van die okkupeerder om die eenheid te okkupeer en die fasiliteite te gebruik, onderworpe aan die reëls vanaf datum van okkupasie tot datum van beëindiging, as teenprestasie vir die lening en onderworpe aan die betaling van maandelikse heffings en spesiale heffings;”4
In haar annotatie van deze zaak merkt Titus op dat als uitgangspunt geldt dat de pandhouder verplicht is rekening en verantwoording af te leggen van de wijze waarop hij zijn recht op (en verplichting tot) pandgebruik heeft uitgeoefend. Tussen Brummeria en de gepensioneerde bestond zo’n verplichting niet.5 Het gedrag van partijen bevestigde bovendien dat de gepensioneerde niet verplicht was de vruchten van het perceel te trekken en hierover rekening en verantwoording af te leggen. De gepensioneerde liet de gebruikswaarde van het perceel toekomen aan zichzelf, en niet aan schuldenaar Brummeria. Met andere woorden: de pandgebruiker gebruikte het perceel in zijn eigen voordeel.6 Titus stelt zich dan ook op het standpunt dat Brummeria en de gepensioneerde een recht van rentepandgebruik hebben gevestigd op het perceel.7