Einde inhoudsopgave
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/4.2.3
4.2.3 Normaaltype stichting van Meijers
mr. M.J. van Uchelen-Schipper, datum 04-02-2018
- Datum
04-02-2018
- Auteur
mr. M.J. van Uchelen-Schipper
- JCDI
JCDI:ADS387351:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Het normaaltype vereniging formuleert Meijers als volgt: “doel en organisatie bepaald door leden, die in de loop van de tijd door anderen vervangen kunnen worden, verwezenlijking van het doel door arbeid, die door de leden of de organen van de rechtspersoon verricht dient te worden” (Meijers 1948, p. 257 en p. 262).
Feith 1925, p. 14.
Meijers wilde in Boek 2 BW de verschillende soorten rechtspersonen door materiële kenmerken onderscheiden. Zie ook Polak 1956, p. 13, Huizink 2011, nr. 23 en Dijk/Van der Ploeg 2013, par. 2.1. Meijers: “Waar echter wel tegen gewaakt dient te worden, is, dat de verschillende typen van rechtspersonen zich enkel door formele kenmerken zouden onderscheiden, zodat alle vormen door elkaar voor een zelfde soort organisatie met een zelfde doel konden worden gebruikt. Helaas is het thans zo gesteld, dat een organisatie vrijelijk die vorm van rechtspersoon kan kiezen, die haar oprichters het meest aanstaat. Men vindt volkomen gelijkgeaarde ondernemingen nu eens als naamloze vennootschap, dan weer als verenigingen volgens de wet van 1855, ook wel als coöperatieve verenigingen of tegenwoordig zelfs als stichtingen opgericht. Men kiest die vorm van rechtspersoon, die men het minst bezwarend acht. […]” In zijn Toelichting-Meijers uit 1954 is voorts te lezen: “Een wetgever, die zijn dwingende bepalingen wenst te zien geëerbiedigd, moet materiële kenmerken voor de verschillende soorten van rechtspersonen opstellen, zodat iedere vorm beantwoordt aan een bijzondere door de wet erkende behoefte.” Toelichting- Meijers par. 2.2, p. 131. Zie ook par. 3.2.3.
De materiële kenmerken van de stichting werden in de WS 1956 opgenomen, maar in de jurisprudentie werden al voor de invoering van de WS 1956 aanzetten tot een materiële afbakening van rechtspersonen gegeven. In 1953 oordeelde het Hof Amsterdam dat onaanvaardbaar was de stelling dat slechts de “uiterlijke stichtingshandeling” – afzondering van een vermogen voor een bepaald doel met instelling van een organisatie om dit doel te verwezenlijken – voor het bestaan van een stichting beslissend zou zijn (Hof Amsterdam 20 maart 1953, NJ 1953/317 (Stichting B.W.T.)).
Van der Grinten 1943, p. 264.
Meijers 1948, p. 264.
Meijers formuleerde het normaaltype stichting als volgt:
“vaststelling van doel en organisatie door stichters; geen organisatie van leden; geen bevoegdheid van bestuurders om ingrijpende wijzigingen in doel en organisatie aan te brengen en verwezenlijking van een doel hoofdzakelijk door een daarvoor bestemd kapitaal.”1
Het normaaltype stichting dat Meijers voor ogen had en dat een belangrijk uitgangspunt was voor het Ontwerp Meijers maar ook voor het ontwerp van de WS 1956, kenmerkt zich dus doordat doel en organisatie worden vastgesteld door een of meer personen (de stichters) die in beginsel buiten de rechtspersoon staan. De oprichter bepaalt bij oprichting van de stichting:
het doel van de stichting;
de regels over bestemming van het vermogen voor dit doel; en
de regels over beheer van het doelgebonden vermogen.
Bij de oprichting van de stichting verkrijgt de oprichter niet noodzakelijkerwijs zelf een institutionele positie binnen de stichting, dat wil zeggen: de oprichter hoeft zelf niet deel uit te maken van een orgaan en/of hoeft zichzelf niet in de statuten de bevoegdheid toe te kennen om nieuwe bestuurders te benoemen of voor te dragen. Indien de oprichter zichzelf geen institutionele positie voorbehoudt, is zijn (actieve) rol uitgewerkt na oprichting van de stichting. Het door hem vastgestelde doel blijft echter, evenals de regeling omtrent van de organisatie van de stichting, een belangrijke rol spelen, zeker indien – zoals bij het normaaltype het geval is – de bepalingen omtrent het doel van de stichting niet gewijzigd kunnen worden.
Het normaaltype vereniging of kapitaalvennootschap heeft altijd leden of aandeelhouders. Leden of aandeelhouders maken altijd deel uit van de statutaire organisatie (de “deelrechtsorde”) van de corporatie; zij vormen immers de algemene vergadering. De algemene vergadering heeft de bevoegdheid om het doel vast te stellen en te wijzigen en het bestuur te benoemen en ontslaan. Ook als een corporatieve rechtspersoon feitelijk geen echte samenwerking is, is er altijd ten minste één lid of één aandeelhouder.
Bepaling van het doel en de organisatie
Met inachtneming van zijn eigen relativering en uitgaande van de geformuleerde normaaltypen, signaleerde Meijers aldus een belangrijk onderscheid tussen verenigingen en stichtingen, in feite tussen alle corporatieve rechtspersonen en stichtingen: bij verenigingen bepalen de leden (en het bestuur dat door de leden wordt benoemd) het doel en de organisatie, terwijl bij stichtingen het doel en de organisatie worden bepaald door de oprichter “die buiten de rechtspersoon staat”.
Ook Feith merkte in 1925 op dat de vraag wie het doel en het doelgebonden vermogen vaststelt van belang is voor het onderscheid tussen de stichting en de vereniging. Hij beschrijft dit als volgt:
“Toch is er een wezenlijk onderscheid, hetwelk m.i. hierin is gelegen, dat, waar bij de stichting het na te streven doel en de wijze, waarop zulks zal geschieden, eens en voor goed door den stichter of de stichters worden bepaald, bij de vereeniging de steeds wisselende leden de wijze, waarop de vereenigingsgelden voor het bij de statuten omschreven doel zullen worden besteed, vaststellen.”2
Het onderscheid tussen stichting en vereniging en de daarmee samenhangende materiële kenmerken3 klinken door in de eerste wettelijke regeling van de stichting (artikel 1WS 1956), maar ook de huidige wettelijke regeling (artikel 2:285 BW).4 Blijkens de MvT bij de WS 1956 onderscheidt de stichting zich van de vereniging door de betekenis die het vermogen heeft voor het doel en door het ontbreken van voor het doel samenwerkende leden.5
Geen commerciële rechtspersoon
Het normaaltype stichting is volgens Meijers bovendien geen “commerciële rechtspersoon”. Bij kapitaalvennootschappen is, anders dan bij stichtingen, sprake van een vorm van samenwerking met als doel daaruit inkomsten te verkrijgen. Stichtingen zijn niet bedoeld om (uitsluitend) inkomsten te verschaffen aan de oprichters, bestuurders of aan anderen, die de stichting gebruiken ter behartiging van hun eigen stoffelijke belangen, aldus Van der Grinten in 1943: “iemand die een onderneming wil inbrengen in een rechtsvorm en daarbij de winsten naar de inbrenger wil laten vloeien, zou een andere rechtsvorm dan de stichting moeten kiezen”.6
Het normaaltype kapitaalvennootschap heeft dus, anders dan de stichting, ten doel om aan aandeelhouders uit te keren winst te genereren. Meijers noemt een categorie verenigingen “welke het vermogensbelang harer leden behartigen” en een categorie verenigingen die dit niet doen. Tot de eerste categorie behoren de naamloze vennootschappen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen en tot de andere rubriek behoren verenigingen met een altruïstisch doel en “verenigingen tot vermaak, ontspanning en opvoeding der leden”, aldus Meijers.7