Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020
Einde inhoudsopgave
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/8.7.2:8.7.2 Hoe consistent zijn de argumenten van het kabinet en hoe consistent is de ontwikkeling van de wetgeving geweest?
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/8.7.2
8.7.2 Hoe consistent zijn de argumenten van het kabinet en hoe consistent is de ontwikkeling van de wetgeving geweest?
Documentgegevens:
Datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
Kluwer
- JCDI
JCDI:ADS258868:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen / Algemeen
Sociale zekerheid werkloosheid (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zo ook bijv. Fluit bij de laatste verscherping in 2015 in: Fluit, TAP 2016/1.
Richtlijn passende arbeid, evaluatie van de toepassing van de richtlijn door uitvoeringsorganisaties 1994, p. 34-35.
Zo blijkt uit onderzoek van Von Bergh door middel van interviews met adviseurs werk bij het UWV. Von Bergh, TRA 2019/56.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De belangrijkste kritiek op de verscherpingen van het begrip passende arbeid in de richtlijn is dat dit begrip in feite een papieren tijger is.1 Het probleem met dit begrip is namelijk dat er in het sollicitatie- en uitkeringsproces te veel onbekende factoren zijn waarop het kabinet geen betere grip kan krijgen door het begrip te verscherpen. Werkgevers kunnen onwillend zijn om overgekwalificeerde werknemers aan te nemen en werknemers kunnen onwillend zijn om (al dan niet tijdelijk) in een functie te werken die zij niet ambiëren. Dit kan zich uiten in een onwelwillende houding tijdens het sollicitatiegesprek. Uit jurisprudentie blijkt dat dit gedrag pas gesanctioneerd kan worden als er een concreet werkaanbod klaarligt dat vanwege de onwelwillende houding is ingetrokken. In de praktijk zullen werkgevers niet snel de moeite nemen om aan de bel trekken bij het UWV als blijkt dat de sollicitant onwelwillend is (‘voor die sollicitant nog eens tien anderen’). Een uitkeringsgerechtigde kan zo officieel voldoen aan de sollicitatie-eisen, maar inofficieel een (volgens de richtlijnen) passende baan niet aanvaarden. Daarnaast hangt het sterk af van de opvatting van de begeleider bij het uitvoeringsorgaan of bepaald (passend) werk niet accepteren of niet voldoen aan de sollicitatie-verplichtingen zal leiden tot een sanctie. In sommige gevallen hebben begeleiders begrip voor de situatie en menen ze dat een sanctie te ver zou gaan. Zoals een respondent in het Ipso Facto-evaluatieonderzoek naar de richtlijn passende arbeid 1992 zei: “Wat passend is, is vaak niet in criteria te vangen, het verschilt van geval tot geval”.
In andere gevallen speelt een tekort aan tijd, mensen en middelen bij het begeleiden van werkzoekenden ook een rol bij de vraag of er officieel kan worden gesanctioneerd. Begeleiders kunnen er ook voor kiezen om de beperkte tijd die ze hebben te steken in pogingen om gemotiveerde werkzoekenden aan een baan te helpen in plaats van achter ongemotiveerde werkzoekenden aan te zitten. Een goede stroomlijning en controle op het totale bemiddelings- en adviseringsproces is van groot belang voor de toepassing van het begrip passende arbeid, maar die was er in de praktijk niet.
Tot slot speelt de arbeidsmarktsituatie bij een slechte economie vaak een grotere rol dan het gedrag van de actoren. Een beperkt aantal vacatures dat beschikbaar is versus een groot aantal werkzoekenden maakt dat een verscherping van het begrip passende arbeid niet zinvol is.2
Al deze leemtes in het uitvoeringsproces waren het kabinet bekend blijkens het evaluatieonderzoek in 1994 van de richtlijn passende arbeid 1992, maar met de resultaten van dat onderzoek is niet veel gedaan. Sterker nog, het begrip is tot drie keer verscherpt (1996, 2008, 2015) zonder dat de effectiviteit hiervan is aangetoond. Dit is de belangrijkste inconsistentie in de verscherpingen van het begrip passende arbeid in de richtlijnen. De reden dat het kabinet toch de verscherpingen heeft doorgevoerd komt waarschijnlijk voort vanuit de draagvlakgedachte. Premiebetalers zijn sterker bereid de WW-premie te blijven betalen indien de WW-ontvangers op een zeker (steeds eerder komend) moment alle arbeid moeten accepteren. Dat er in de praktijk geen echt dwangmiddel is om (andere) passende arbeid eerder te accepteren is dan minder relevant.3