Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken
Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/4.2.3:4.2.3 Bewijsoordeel en strafoplegging: exclusief door de rechter
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/4.2.3
4.2.3 Bewijsoordeel en strafoplegging: exclusief door de rechter
Documentgegevens:
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940306:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie Nijboer 2011, p. 30.
Vgl. de artikelen van Titel VI, Tweede Boek van het Wetboek van Strafvordering. Aldus ook: Koopman 1996, p. 26.
Zie Nijboer 2011, par. 4.1.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit de opzet en de organisatie van het strafproces vloeit voort, dat de bestraffing te allen tijde plaatsvindt door de rechter. Het is uiteindelijk aan de strafrechter, en aan de strafrechter alleen, om het oordeel te vellen over het bewijs en de straf.1 Weliswaar zijn er meerdere overheidsfunctionarissen bij een strafrechtelijke vervolging betrokken (denk bijvoorbeeld aan politieambtenaren, de rechter-commissaris en de officier van justitie), maar zij kunnen de straf niet opleggen en hun oordeel over de schuld van de verdachte is niet maatgevend.2 Bovendien blijft de strafzaak, eenmaal aangespannen, een echt ‘onderzoek’ waarover de strafrechter de leiding heeft.3 De strafrechter kan in die hoedanigheid ook een actieve rol spelen4 en is nadrukkelijk ‘niet-lijdelijk’.5