Het EVRM en het materiële omgevingsrecht
Einde inhoudsopgave
Het EVRM en het materiële omgevingsrecht (SteR nr. 22) 2015/7.3.2:7.3.2 Handhaving ter voorkoming van toekomstige aantastingen
Het EVRM en het materiële omgevingsrecht (SteR nr. 22) 2015/7.3.2
7.3.2 Handhaving ter voorkoming van toekomstige aantastingen
Documentgegevens:
D.G.J. Sanderink, datum 01-03-2015
- Datum
01-03-2015
- Auteur
D.G.J. Sanderink
- JCDI
JCDI:ADS443811:1
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Omgevingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie EHRM 26 juli 2011, Georgel en Georgeta Stoicescu/Roemenië, r.o. 51 (zaaknr. 9718/ 03) (aantasting van de lichamelijke integriteit) en EHRM 28 februari 2012, Kolyadenko e.a./Rusland, r.o. 214-217 (zaaknr. 17423/05) (beschadiging van een woning). Zie over dit laatste arrest uitgebreid paragraaf 4.2.2.4.
Zie ook paragraaf 4.2.4.3.2.
Zie paragrafen 3.2.7.1 en 4.2.4.3.2 en de daar aangehaalde rechtspraak.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Omgevingsgerelateerde regelgeving is vaak (mede) uitgevaardigd ter voorkoming van toekomstige aantastingen van de door artikel 8evrm beschermde belangen. Bij het beantwoorden van de vraag of de overheid de positieve verplichting heeft om handhavend op te treden tegen overtredingen van die regelgeving doet zich direct een probleem voor dat zich bij het beantwoorden van dezelfde vraag onder artikel 2evrm in paragraaf 7.2.2 niet voordeed. De rechtspraak van het ehrm is namelijk duidelijk over het feit dat de overheid onder omstandigheden verplicht is concrete handelingen te verrichten ter voorkoming van toekomstige aantastingen van het recht op leven. Onder artikel 8 evrm ligt dit evenwel minder duidelijk. Uit de rechtspraak van het ehrm blijkt dat de overheid onder omstandigheden ook de positieve verplichting heeft om concrete handelingen te verrichten ter voorkoming van toekomstige aantastingen van de lichamelijke integriteit en/of de woning.1 Niet duidelijk is echter of de overheid onder omstandigheden ook de positieve verplichting heeft concrete handelingen te verrichten ter voorkoming van toekomstige aantastingen van het welzijn (of de kwaliteit van leven) en/of het rustige genot van de woning.2 Uit de rechtspraak van het ehrm blijkt vooralsnog enkel dat de overheid onder omstandigheden de positieve verplichting heeft om concrete handelingen te verrichten ter voorkoming van toekomstige aantastingen van de lichamelijke integriteit en/of de woning en deze beperking lijkt (zoals in paragraaf 4.2.4.3.2 is betoogd) gerechtvaardigd. Daarom zal er hierna veronderstellenderwijs van worden uitgegaan dat de overheid niet de positieve verplichting heeft om concrete handelingen (waaronder handhavend optreden) te verrichten ter voorkoming van toekomstige aantastingen van het welzijn (of de kwaliteit van leven) en/of het rustige genot van de woning.
Dan dient zich vervolgens de vraag aan of de overheid de positieve verplichting heeft om handhavend op te treden tegen overtredingen van omgevingsgerelateerde regelgeving die (mede) is uitgevaardigd ter voorkoming van toekomstige aantastingen van de lichamelijke integriteit en/of de woning.
Net als onder artikel 2evrm geldt hier dat uit de rechtspraak van het ehrm voor de overheid geen algemene plicht afgeleid kan worden om handhavend op te treden tegen elke overtreding van die regelgeving. De overheid is namelijk alleen verplicht om concrete handelingen (zoals handhavend optreden) ter voorkoming van toekomstige aantastingen van de lichamelijke integriteit en/of de woning te verrichten, indien zij weet of behoort te weten van een reëel en onmiddellijk gevaar voor die belangen.3 Zoals bij artikel 2 evrm, staat vooral het vereiste van een reëel en onmiddellijk gevaar aan het aannemen van een algemeen recht op handhaving van (mede) ter bescherming van de lichamelijke integriteit en/of de woning uitgevaardigde regelgeving in de weg, omdat waarschijnlijk niet bij elke overtreding van die regelgeving sprake zal zijn van zo’n gevaar voor de lichamelijke integriteit en/of de woning. Net als bij artikel 2 evrm kan bovendien de ‘margin of appreciation’ die de nationale autoriteiten hebben bij de keuze met welke concrete handeling(en) zij een toekomstige aantasting van die belangen (trachten te) voorkomen, zich mogelijk verzetten tegen een algemene plicht tot handhavend optreden tegen overtredingen van die regelgeving.
In het verlengde van de conclusie ten aanzien van artikel 2evrm (in paragraaf 7.2.2) kan gezien het voorgaande naar mijn oordeel ook ten aanzien van artikel 8evrm geconcludeerd worden dat bij overtredingen van omgevingsgerelateerde regelgeving die (mede) ter bescherming van de lichamelijke integriteit en/of de woning is uitgevaardigd, lang niet altijd met een beroep op de positieve verplichtingen onder artikel 8 evrm handhavend optreden tegen die overtredingen afgedwongen kan worden. De vraag of de overheid handhavend moet optreden ter voorkoming van toekomstige aantastingen van de lichamelijke integriteit en/of de woning moet mijns inziens gewoon beantwoord worden op basis van de in paragraaf 4.2.4 besproken criteria die gelden voor de positieve verplichting om concrete handelingen te verrichten ter voorkoming van toekomstige aantastingen. Dat leidt dan tot dezelfde paradoxale situatie als die die onder artikel 2 evrm bestaat: het kan voorkomen dat de overheid op grond van haar positieve verplichtingen niet verplicht is handhavend op te treden tegen overtredingen van de omgevingsgerelateerde regelgeving die zij op grond van haar positieve verplichtingen ter bescherming van de belangen van burgers moest uitvaardigen.