Einde inhoudsopgave
Rechtsbescherming tegen bestraffing strafrecht en bestuursrecht 2011/5.12
5.12 Art. 8:69 Awb: tussenconclusie
mr. drs. R. Stijnen, datum 03-10-2011
- Datum
03-10-2011
- Auteur
mr. drs. R. Stijnen
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Allewijn, 'Een nieuw denkmodel voor de bestuursrechter', RM Themis 1998/9.
Crommelin, Het aanvullen van de rechtsgronden (2007), p. 309-312. Zie ook Vermeulen, Nederlandse rechtsbescherming in communautaire context (2001), p. 270 en 272.
Zelfs Schueler, die het tot een minimum beperken van de ambtshalve toetsing toejuicht, lijkt niet zo ver te willen gaan. Waar hij enerzijds stelt dat objectieve rechtmatigheidscontrole in het omgevingsrecht niet waar kan worden gemaakt en het bezwaar in zich draagt van politisering van bestuursrechtspraak omdat de rechter dan de keuze maakt om naleving van bepaalde voorschriften wel en andere voorschriften niet te controleren, stelt hij anderzijds geen bezwaar te hebben tegen het door de rechter ambtshalve corrigeren van flagrante schending van Europees en nationaal recht, zij het dat hij deze categorie gevallen als een echte uitzonderling lijkt te zien. Zie Schueler, 'De drie taken van de bestuursrechter: rechtsbescherming, controle en geschilbeslechting', Milieu & Recht 2008/4, p. 207-210.
Zie in dit verband voorts nogmaals HvJ EG 25 november 2008, AB 2009/14 (Heemskerk en Schaap).
Uit het vorenstaande kan worden geconcludeerd dat de trechterwerking tussen bezwaar en beroep in eerste aanleg over de hele linie thans vooral een onderdelenfuik behelst. De argumentatieve en bewijsfuik hebben daarmee in die fase van het geding aan belang ingeboet. Waar materiële gebreken in de aangevochten besluitvorming door met name (voorheen) de Centrale Raad van Beroep en (thans) het College van Beroep voor het bedrijfsleven veelal ambtshalve worden opgespoord en getoetst in het kader van art. 8:69 leden 2 en 3 Awb, kan worden gesproken van een stelsel van beperkte volledige toetsing. Waar het gaat om procedurele kwesties die niet van openbare orde zijn wordt echter over de hele linie min of meer een grievenstelsel gehanteerd. Dit past ook bij materiële geschilbeslechting.1 De intensiteit waarmee de rechter ten aanzien van de blijkens de beroepsgronden (art. 6:5 lid 1, onderdeel d, Awb) aangevochten besluit-onderdelen ambtshalve aan de slag gaat om gebreken te detecteren en, indien gevonden, inbrengt als vernietigingsgrond, maakt of sprake is van een stelsel van beperkte volledige toetsing of een zogenoemd compromisstelsel.2 Beide stelsels zijn voor wat betreft de beoordeling van de materiële grondslag van aangevochten besluitonderdelen aanvaardbaar. Hoewel zij neigen naar een objectief stelsel van rechtsbescherming, nu de beroepsgronden in beide stelsels vooral de breedte en niet de diepte van de toetsing bepalen, dragen zij daadwerkelijk bij aan materiële geschilbeslechting. Een grievenstelsel in eerste aanleg ook inzake de materiële grondslag van het bestreden besluit lijkt weliswaar het meest aan te sluiten bij een subjectief stelsel, maar kan niet voldoen aan volwaardige rechtsbescherming (geschillenbeslechting) zoals de wetgever voor ogen heeft gehad. Voor zover een strikt grievenstelsel ook buiten niet van openbare orde zijnde vormverzuimen zou worden gehanteerd, zou de rechter ertoe gehouden zijn een besluit in stand te laten dat is gebaseerd op een onverbindend voorschrift, indien geen (feitelijke) grief is gericht tegen de grondslag van het bestreden besluit.3 Ter voorkoming daarvan zou het materiële bestuursrecht dan grotendeels moeten worden gebombardeerd als behorende tot de voorschriften van openbare orde. Gelet op de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie lijkt me dit — mede met het oog op het verbod van refomatio in peius, dat immers bij openbare ordekwesties niet van toepassing is — geen begaanbaar pad.4