Einde inhoudsopgave
Rechtsbescherming tegen bestraffing strafrecht en bestuursrecht 2011/5.3
5.3 Het vooronderzoek door de bestuursrechter en de op de zaak betrekking hebbende stukken
mr. drs. R. Stijnen, datum 03-10-2011
- Datum
03-10-2011
- Auteur
mr. drs. R. Stijnen
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ik doel met deze opmerking niet op de rechtelijke activiteit, zo zal hierna blijken. Juist de passieve houding in het vooronderzoek kan waar nodig, mede met het oog op ongelijkheidscompensatie, gecompenseerd worden door een actieve houding van de rechter ter zitting. Toch meen ik dat het vooronderzoek gewoonlijk het zwaartepunt vormt, omdat in die fase de schriftelijke stukken worden overgelegd en bestudeerd. In algemene zin kan worden gezegd dat het beroepschrift, het bestreden besluit en de daaraan ten grondslag liggende stukken van groter belang zijn dan de toelichting van partijen ter zitting. Zie in dit verband ook de volgorde die in art. 8:69 lid 1 Awb is genoemd. Zie voorts Barkhuysen, Damen e.a., Feitenvaststelling in beroep (2007), p. 212-214.
HR 25 april 2008, AB 2009/407.
CBb 6 november 2009, JOR 2010/18 (IMC).
ABRvS 26 augustus 2004, AB 2004/393 en CRvB 29 oktober 2002, JB 2003/22.
Dus niet rauwelijks. Zie CRvB 30 juli 1999, RSV 1999/286 en Pres. CRvB 27 juli 2001, AB 2001/332.
ABRvS 9 oktober 1997, JB 1997/270.
ABRvS 24 december 2002, AB 2003/158.
Het betreft een termijn van orde, aldus CRvB 26 juni 1998, Rawb 1999/7.
ABRvS 6 augustus 2003, JB 2003/264.
Zie ook CRvB 15 januari 1996, ABkort 1996/406 en CBb 27 mei 2003, AB 2003/456.
ABRvS 3 oktober 2001, AB 2001/313.
CBb 15 juli 1999, AB 1999/463.
CRvB 21 november 1995, JB 1995/328; 26 september 1996, AB 1997/139 en CBb 27 mei 2003, AB 2003/456.
Hoewel proceseconomische redenen daar aan in de weg kunnen staan. Zie Rb Rotterdam 11 oktober 2005, JOR 2006/13 (Borderline).
Zie ABRvS 8 februari 2006, JB 2006/93; CBb 24 januari 1997, AB 1997/150 en 21 maart 2002, LJN AE0767. Wel is het zo dat de Afdeling bij WOB-zaken standaard toepassing geeft aan art. 8:29 Awb, omdat anders het enkele instellen van beroep bij de bestuursrechter leidt tot kennisneming van de stukken waarop het niet gehonoreerde WOB-verzoek juist betrekking heeft. Zie art. 12 lid 3 Procesregeling bestuursrechtelijke colleges 2006.
Onder meer ABRvS 7 juli 2000, JB 2000/226; 13 juni 2001, AB 2001/267 en 6 oktober 2004, AB 2004/366.
Onder meer CRvB 10 oktober 2001, RSV 2001/287; 4 april 2003, JB 2003/182 en 15 april 2005, JB 2005/178.
CBb 22 december 2005, AB 2006/79. In gelijke zin CBb 9 februari 2006, LJN AV2108.
CBb 19 juni 2009, JOR 2010/11 (IMC).
Art. 13 lid 8 Procesregeling bestuursrecht 2010 (Stcrt. 2010, 12031).
CRvB 28 november 2006, RSV 2007/48.
Een verwijzing door de kamer die de hoofdzaak behandelt naar een andere kamer voor het nemen van die tussenbeslissing mag, mits wordt gewaarborgd dat de kamer die de beslissing met betrekking tot art. 8:29 lid 3 Awb neemt kennis neemt van het hele dossier, aldus HR 10 augustus 2007, JB 2007/203 en 7 december 2007, AB 2008/82.
ABRvS 4 september 2002, JB 2002/304 en 23 juni 2003, AB 2003/326.
ABRvS 26 september 2000, AB 2000/484.
Niet in bezwaar, want het bestuur kan niet zelf op grond van art. 6 EVRM gehouden worden de art. 88c en 88g WAO buiten toepassing te laten, aldus CRvB 13 februari 2002, AB 2002/96 en 28 mei 2002, AB 2002/329.
CRvB 20 juli 2001, AB 2001/252; 13 augustus 2002, RSV 2002/279; 20 mei 2003, RSV 2003/192; 14 oktober 2003, RSV 2003/317; 10 februari 2004, AB 2004/169 en 12 mei 2005, JB 2005/222.
CRvB 17 februari 2004, J73 2004/162; 24 februari 2004, AB 2004/197 en 13 april 2004, AB 2004/268.
Vergelijk met ABRvS 18 februari 2004, AB 2004/143; 17 september 2003, AB 2003/439; 15 juni 2005, AB 2005/259 en 7 juli 2010, LJN BN0488.
Zie in dit verband R. Kooper, Wie is er bang voor aanvulling van rechtsgronden? Over de terminologie van artikel 8:69 Awb', NTB 2000/6.
PG Awb II, p. 463.
Zo wordt benadrukt door Daalder en Schreuder-Vlasblom, 'Balanceren boven nul. De vaststelling van de feiten in het bestuursprocesrecht', NTB 2000/7.
Indien daarentegen enkel bestuurlijke zorgvuldigheid maatstaf is dan wordt de rechterlijke waarheidsvinding wel geweld aangedaan. De opvatting dat het bestuursorgaan een gezaghebbende feitenvaststelling verricht waarbij de rechterlijke toetsing zich in beginsel beperkt tot de vraag of het bestuur daarbij zorgvuldig te werk is gegaan strijdt bovendien met art. 8:69 lid 3 Awb. Zie ook Schliissels, `Een vrije en kenbare bewijsleer?', in: Bestuursrechtelijk bewijsrecht: wetgever of rechter? (VAR-reeks 142, 2009), p. 45-47.
Commissie Evaluatie Awb BI, Toepassing en effecten van de Algemene wet bestuursrecht 2002-2006 (2007), p. 24.
Van Erp en Van Ewijk, Werklast bestuurlijke boete. Determinanten van de werkbelasting in de bestuursrechtpleging (2005), p. 89.
CRvB 30 juli 2002 LJN AE7158.
Vergelijk CRvB 26 februari 2002, RSV 2002/131 en 16 september 2003, AB 2003/449.
Zie CRvB 23 februari 2001, RSV 2001/90.
De hoofdregel die de Centrale Raad hanteert is dat de door de rechter ingeschakelde deskundige in beginsel wordt gevolgd in diens oordeel omtrent het ziektebeeld. Zie onder meer CRvB 13 april 1999, RSV 1999/176 en 29 april 2010, AB 2010/198.
Zie CRvB 18 oktober 2005, AB 2006/179. Betrokkene kon bij gebrek aan middelen haar huisarts raadplegen, aldus de Raad. Zie voorts ABRvS 10 september 2008, J732008/251 en CRvB 31 december 2007, RSV 2008/68.
Zie de vermelde literatuur in Van Wijk/Konijnenbelt & Van Male, Hoofdstukken van administratief recht (2008), p. 635.
ABRvS 31 januari 2000, JB 2000/113.
ABRvS 22 mei 2002, JB 20021172.
EHRM 18 maart 1997, JB 1997/112 (Mantovanelli)
Indien de vraag die aan de deskundige voorligt niet identiek is aan de door de rechter te beantwoorden vraag en indien de deskundige geen gebruik maakt van onbekende stukken of verhoren van derden, dan geldt deze eis niet onverkort, aldus CRvB 14 juni 2000, RSV 2000/197.
Hof Amsterdam 2 juni 2006, JOR 2006/216 en 20 juni 2006, LJN AX8970.
Hof Amsterdam 30 juni 2009, RF 2009/75.
Het vooronderzoek — dat in feite het zwaartepunt vormt van het bestuursproces bij de bestuursrechter1 — bestaat er gewoonlijk uit dat de rechtbank de indiener van het beroepschrift verzoekt binnen vier weken griffierecht te voldoen (zie hierboven) en, ingeval er verzuimen zijn zoals het ontbreken van gronden, een termijn gunt om die niet fatale verzuimen weg te nemen (zie het hiervoor besproken art. 6:6 Awb) en tegelijkertijd het verwerend bestuursorgaan bericht dat er beroep is ingesteld. Daarbij wordt het bestuursorgaan verzocht binnen vier weken de op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen alsmede een verweerschrift (art. 8:42 Awb). Wat zijn nu de precies de op de zaak betrekking hebbende stukken? In een belastinggeschil, waarin de vraag voorlag of de inspecteur de originele van de Kredietbank Luxembourg ontvreemde microfiches diende te overleggen, overwoog de Hoge Raad:
Vit de door de Advocaat-Generaal aangehaalde passages uit de totstandkomingsgeschiedenis van de artikelen 8:29 en 8:42 Awb volgt dat alle stukken die bij de besluitvorming van de inspecteur een rol hebben gespeeld aan de belanghebbende en aan de rechter dienen te worden overgelegd, voor zover te dien aanzien niet, althans niet met succes, een beroep wordt gedaan op gewichtige redenen die zich tegen zodanige overlegging verzetten (artikel 8:29 Awb). Indien een belanghebbende zich op het standpunt stelt dat een bepaald aan de inspecteur ter beschikking staand stuk dient te worden overgelegd omdat het op de zaak betrekking heeft, kan geen doorslaggevende betekenis toekomen aan de betwisting van dat laatste door de inspecteur. Die betwisting — evenals haar eventuele onderbouwing — berust immers mede op feitelijke gegevens (de inhoud van dat stuk) die aan de belanghebbende en de rechter niet bekend zijn, zodat zij door de belanghebbende niet kunnen worden weerlegd, en door de rechter niet op juistheid kunnen worden getoetst. Daarbij komt dat indien de inspecteur meent dat gewichtige redenen zich tegen overlegging van het stuk verzetten, hij zich kan beroepen op artikel 8:29 Awb. In het licht van dit een en ander dient artikel 8:42 Awb aldus te worden uitgelegd dat, behoudens gevallen van gerechtvaardigde weigering op grond van artikel 8:29 Awb en uitzonderingsgevallen als misbruik van procesrecht, tegemoet dient te worden gekomen aan een verzoek van de belanghebbende tot overlegging van een bepaald stuk indien deze voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat het stuk van enig belang kan zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak.'2
In een tussenuitspraak overwoog het College van Beroep voor het bedrijfsleven geheel in lijn met het hiervoor aangehaalde arrest van de Hoge Raad dat de belanghebbende niet afhankelijk dient te zijn van een selectie die de toezichthouder zelf maakt uit het geheel van de zich onder zijn bereik bevindende stukken. Het standpunt van de AFM dat op basis van de in art. 481 Wte 1995 vervatte functiescheidingseis alleen de stukken uit het 'geschoonde' dossier van de boetefunctionaris als op de zaak betrekking hebbende stukken kunnen worden aangemerkt, kon volgens het College dan ook niet als juist worden aanvaard.3
Indien de stukken (daartoe wordt niet het verweerschrift gerekend4) niet tijdig worden ingediend zal de rechtbank een comparitie gelasten (art. 8:44 Awb) waarbij uitsluitend het bestuur wordt opgeroepen. Het bestuur kan daar aan ontkomen door alsnog voor die datum de stukken in te dienen. Indien het bestuur na waarschuwing5 alsnog weigert stukken in te dienen of inlichtingen te verstrekken zal de rechtbank daaruit de gevolgtrekkingen maken die haar geraden voorkomen (art. 8:31 Awb); ofwel het beroep gegrond verklaren.6 Repliek en dupliek op verzoek van de rechtbank (art. 8:43 lid 1 Awb) komt nauwelijks voor. De rechtbank acht zich gewoonlijk voldoende voorgelicht aan de hand van het beroepschrift en het verweerschrift. Wel zullen derden, indien zij op grond van art. 8:26 Awb als partij zijn toegelaten, ten minste eenmaal een schriftelijke uiteenzetting over de zaak mogen geven (art. 8:43 lid 2 Awb). Het komt regelmatig voor dat de eisende partij naar aanleiding van het verweerschrift uit eigen beweging een schriftelijke reactie of andere stukken indient. De griffier zendt telkens de door een partij ingediende stukken door aan de andere partij(en), zo volgt uit art. 8:39 lid 1 Awb. Daarbij geldt dat bij zeer omvangrijke stukken of stukken die bezwaarlijk kunnen worden vermenigvuldigd kan worden volstaan met ter inzage legging op de griffie (art. 8:39 lid 2 Awb) en het verstrekken van afschriften of uittreksels daarvan op verzoek tegen kostenvergoeding (art. 8:39 lid 3 Awb).
Partijen kunnen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken indienen, zo volgt uit art. 8:58 lid 1 Awb. Die bepaling wordt aldus uitgelegd dat uiterlijk de elfde dag voor de zitting stukken kunnen worden ingediend, opdat de griffie ze nog tijdig aan de wederpartij kan doorzenden en de rechter er zelf ook tijdig kennis van kan nemen.7
Het gaat hier niet om een harde termijn.8 De rechter heeft hier de nodige vrijheid.9 De ervaring leert dat partijen vaak nog vlak voor of op de zitting met nieuwe stukken komen en dat rechtbanken die stukken accepteren, dit temeer indien de wederpartij daar geen bezwaar tegen maakt of niet processueel wordt benadeeld door het meenemen van het stuk.10 Soms leidt dit tot een korte leespauze ter zitting. Het ter zitting tonen van een luchtfoto werd overigens door de Afdeling niet gelijkgesteld aan het indienen van een stuk.11 Ook het ter zitting overleggen van regelgeving en jurisprudentie zal geen probleem zijn. Het gaat hier om openbare stukken die voor een ieder toegankelijk zijn. Bovendien wordt de rechter geacht de rechtsbronnen te kennen (dit mag weliswaar een fictie zijn, maar die fictie vormt niettemin een belangrijk argument om het ter zitting overleggen van algemeen verbindende voorschriften, beleidsregels en rechterlijke uitspraken wel toe te staan). Indien het bestuur op het laatste moment een nieuw besluit overlegt dat ingevolge de art. 6:19 of 6:20 Awb van rechtswege `meefietst' in de procedure, kan de rechter daar niet aan voorbij gaan. Desnoods zal hij de zitting moeten verdagen.12 Het negeren van het nieuwe besluit is gelet op de dwingende tekst en strekking van de art. 6:19 en 6:20 Awb geen optie. Ook kan art. 8:58 Awb niet verhinderen dat de rechter het door hem zelfstandig in te stellen onderzoek naar de bevoegdheid van de besluitnemer volvoert en in dat kader kennis neemt van nadere stukken.13 Verder heeft volgens de Afdeling te gelden dat art. 8:58 Awb geen vrijbrief kan zijn om nog complete boekwerken elf of meer dagen voor de zitting in te dienen. De gronden van het beroep, nog daargelaten dat uiterlijk binnen de geboden termijn gronden moeten zijn ingediend, kunnen niet eindeloos worden aangevuld of van bewijsmiddelen worden voorzien. Het zeer laat indienen van zeer veel stukken kan worden geweigerd op grond van strijd met een goede procesorde. Een alternatief is dat de rechtbank de zitting verdaagt.14
Met enige regelmaat komt het voor dat het bestuursorgaan bepaalde stukken slechts onder geheimhouding meent te kunnen verstrekken. Daarop ziet art. 8:29 Awb. Die bepaling luidt:
`1. Partijen die verplicht zijn inlichtingen te geven dan wel stukken over te leggen, kunnen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, het geven van inlichtingen dan wel het overleggen van stukken weigeren of de rechtbank mededelen dat uitsluitend zij kennis zal mogen nemen van de inlichtingen onderscheidenlijk de stukken.
2. Gewichtige redenen zijn voor een bestuursorgaan in ieder geval niet aanwezig, voor zover ingevolge de Wet openbaarheid van bestuur de verplichting zou bestaan een verzoek om informatie, vervat in de over te leggen stukken, in te willigen.
3. De rechtbank beslist of de in het eerste lid bedoelde weigering onderscheidenlijk de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.
4. Indien de rechtbank heeft beslist dat de weigering gerechtvaardigd is, vervalt de verplichting.
5. Indien de rechtbank heeft beslist dat de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is, kan zij slechts met toestemming van de andere partijen mede op de grondslag van die inlichtingen onderscheidenlijk die stukken uitspraak doen. Indien de toestemming wordt geweigerd, wordt de zaak verwezen naar een andere kamer.'
Met betrekking tot geheimhouding van stukken is er een berg jurisprudentie. Ik zal me hier beperken tot enkele highlights, om maar een foute term te gebruiken. Vooropgesteld moet hier worden dat het enkele feit dat de Wet openbaarheid van bestuur of een andere wet bepaalde stukken uitsluit van openbare kennisneming niet reeds op zichzelf voldoende is om toepassing te geven aan art. 8:29 lid 4 Awb, zo volgt ook a contrario uit art. 8:29 lid 2 Awb.15 Er zal dus steeds een nadere belangenafweging moeten plaatsvinden. Inzake ambtsberichten van het ministerie van Buitenlandse Zaken en inzake verificatieonderzoeken vanwege de IND en de Svb is er inmiddels aardig wat jurisprudentie gevormd. Het bestuursorgaan beroept zich dan in de asielzaak of kinderbijslagkwestie op bronbescherming en bescherming van gehanteerde methoden. Waar de Afdeling16 dit soort verzoeken welwillend ontvangt en veelal de beperking van kennisname van een aantal stukken uit het dossier gerechtvaardigd acht, is de Centrale Raad van Beroep17 niet geneigd de enkele niet concrete stelling van het bestuur dat gevaar voor bij het onderzoek betrokken personen dreigt voor waar aan te nemen. Het gaat hier vooral om gegevens betreffende personen en slechts in beperkte mate om gehanteerde methoden. Met name het College voor het Beroep voor het bedrijfsleven heeft juist wel te maken met bedrijfsgegevens. Vooral in mededingings- en telecomzaken wordt vaak een beroep gedaan op geheimhouding van bedrijfsgegevens om de eigen concurrentiepositie niet in gevaar te brengen. Het College heeft de volgende toetsingsmaatstaf aangelegd:
`De door het College te nemen beslissing op het verzoek om beperking van de kennisneming vergt een afweging van belangen. Enerzijds is hierbij aan de orde het belang dat partijen gelijkelijk beschikken over de voor de beoordeling van de beroepen relevante informatie, alsook het belang dat de rechter beschikt over alle informatie die nodig is om de hem voorgelegde zaken op een juiste en zorgvuldige wijze af te doen. Anderzijds speelt een rol dat openbaarmaking van bepaalde gegevens het belang van een partij, in dit geval vooral KPN, onevenredig kan schaden, terwijl OPTA er belang bij heeft ook in de toekomst de informatie, waaronder concurrentiegevoelige gegevens, aangeleverd te krijgen die zij voor een goede uitoefening van haar taken nodig heeft.18
Het College heeft zich voorts in een beslissing omtrent geheimhouding van stukken uitgelaten over de verhouding tussen de geheimhoudingsplicht van het bestuursorgaan en het verdedigingsrecht inzake een bestuurlijke boete. Het oordeelde in dit verband dat het in art. 1:89 Wft neergelegde uitgangspunt dat vertrouwelijke informatie die door een onder toezicht staande instelling aan de AFM is verstrekt, niet mede ter kennis van derden mag worden gebracht, in beginsel dient te wijken voor het beginsel dat een 'verdachte' recht behoort te hebben op inzage van de stukken.19 In het geval beperkte kennisneming niet gerechtvaardigd wordt geacht zal het bestuur de keus worden gesteld of kennisneming van de stukken aan de wederpartij toe te staan of de betreffende stukken terug te nemen.20 Er wordt in het laatste geval geen uitspraak gedaan op grond van die teruggezonden stukken. Het bestuur loopt dan het risico dat het beroep gegrond gaat, omdat het bestreden besluit dan niet op een voldoende (kenbare) feitelijke grondslag berust. Zo overwoog de Centrale Raad van Beroep in een bij standzaak waarin geheimhouding van een onderzoeksmethode bij een eerdere tussenbeslissing niet gerechtvaardigd werd geacht en het betreffende rapport vervolgens niet alsnog in het geding was gebracht als volgt:
`Het College heeft het standpunt ingenomen dat appellant ten tijde van belang niet woonde op het door hem opgegeven adres. De Raad is van oordeel dat het College zich daarbij niet kan baseren op de bevinding dat ten tijde hier van belang geen gebruik is gemaakt van de enige toegangsdeur tot de woning. Appellant is niet in de gelegenheid geweest om deze bevinding onderbouwd te betwisten omdat, zoals hiervoor is vastgesteld, het rapport met de weergave van de onderzoeksmethode waarop deze bevinding is gebaseerd niet in het geding is gebracht.’21
De uitspraak in de hoofdzaak wordt in dat geval ook gedaan door een andere kamer, zoals art. 8:29 lid 5 Awb voorschrijft. Om te voorkomen dat zaken aan een andere kamer overgedaan moeten worden, vooral in die gevallen waarin de zaak meervoudig is gepland (dat is juist meestal het geval in zaken waarin geheimhouding speelt), zal daarom veelal de beoordeling van een geheimhoudingsverzoek worden overgedragen aan een rechter-commissaris (art. 8:12 Awb).22 Ongeacht de uitkomst, wordt na de tussenbeslissing als bedoeld in art. 8:29 lid 3 Awb de zaak overgedragen aan de kamer aan wie de zaak oorspronkelijk was toebedeeld. Indien beperkte kennisneming wel gerechtvaardigd wordt geacht staan de andere partijen voor het dilemma of zij toestemming geven aan de rechter om mede op grondslag van de geheime stukken uitspraak te doen of niet. Indien toestemming wordt verleend zal de uitspraak deels rusten op stukken waarvan zij geen kennis hebben kunnen nemen. Geven zij de toestemming echter niet dan lopen zij het risico dat hun wordt tegengeworpen dat zij de rechter de mogelijkheid hebben onthouden de motivering van het bestreden besluit op juistheid te toetsen en dat de gevolgen daarvan voor hun rekening en niet voor rekening van het bestuur worden gebracht.23
Duidelijk zal zijn dat de toepassing van art. 8:29 lid 4 en lid 5 Awb processuele beperkingen voor partijen met zich brengen. Zij brengen beperkingen inzake hoor-en wederhoor met zich en beperken zodoende de kwalitatieve toegang tot de rechter. De nationale rechter heeft art. 8:29 Awb (als zijnde een noodzakelijk kwaad) niet in strijd geacht met art. 6 EVRM of enige andere verdragsbepaling.24 Wel heeft de Centrale Raad van Beroep de zogenoemde medische besluitenregeling als neergelegd in de art. 88c en 88g WAO strijdig geacht met art. 6 EVRM en die buiten toepassing gelaten in de beroeps- en appelfase.25 In plaats daarvan geeft hij toepassing aan art. 8:32 lid 2 Awb, dat de mogelijkheid biedt niet de wederpartij — de werkgever — maar enkel diens gemachtigde kennis te laten nemen van de medische stukken.26 Indien de gemachtigde niet aan de geheimhoudingsplicht jegens de werkgever kan voldoen wegens een overeenkomst met de werkgever of omdat hij bij de werkgever in dienst is dan wordt hem kennisgeving van die stukken onthouden.27 Het komt dan voor rekening van de werkgever dat hij niet een meer onafhankelijke gemachtigde heeft ingeschakeld. De mogelijkheden en beperkingen van art. 8:32 Awb worden aldus niet in strijd met art. 6 EVRM geacht.
Met betrekking tot geheimhouding nog een laatste opmerking: het dossier dat ten grondslag ligt aan de uitspraak is niet openbaar. Het bestreden besluit (art. 8:1 Awb), het beroepschrift en de andere stukken op grond waarvan de rechtbank uitspraak doet (art. 8:69 lid 1 Awb) zijn in beginsel slechts bekend aan partijen en de rechtbank. De rechtbank is geen bestuursorgaan, zodat de WOB toepassing mist. Daar komt bij dat in art. 8:79 lid 2 Awb uitdrukkelijk is voorzien in de mogelijkheid om derden een afschrift van de uitspraak te verstrekken. Voor het bestuursorgaan dat de op de zaak betrekking stukken onder zich heeft, geldt dat die weliswaar voor belanghebbende ter inzage liggen in de bezwaarprocedure (art. 7:4 lid 2 Awb), maar niet voor eenieder. Een proceswet als de Awb bevat immers zelf een uitputtende regeling omtrent de verzending van stukken en openbaarheid, zodat geen aanvullende rol voor de WOB is weggelegd.28
Hoewel de Awb-wetgever het bieden van rechtsbescherming in de vorm van geschil-beslechting als de primaire taak van de bestuursrechter zag, voorziet de Awb niettemin in een aantal instrumenten voor de rechtbank om buiten hetgeen partijen zelf aandragen feiten te vergaren in het vooronderzoek en ter zitting, hetgeen in de sleutel van art. 8:69 lid 3 Awb — waarover verderop meer — kan worden geplaatst. Deze informatie kan strikt genomen ook wel betrekking hebben op rechtsvragen — zo kan de rechtbank partijen of een deskundige vragen een gemotiveerde voorzet te geven omtrent een bepaalde wetsuitleg —, maar gewoonlijk gaat het hier toch om feitenvragen. Het recht is immers het domein van de rechter.29 Er staan de rechtbank drie methoden ter beschikking om aan nadere informatie te komen:
partijen vragen om een nadere uitleg. Dit kan via de reeds genoemde repliek en dupliek (art. 8:43 lid 1 Awb), maar ook door partijen op te roepen (art. 8:44 en 8:59 Awb) of door bij hen schriftelijke inlichtingen in te winnen of nadere stukken op te vragen (art. 8:45 lid 1 Awb);
anderen dan partijen vragen om uitleg. Ten eerste moeten eventuele derde partijen altijd in de gelegenheid worden gesteld een schriftelijke zienswijze over de zaak te geven, zoals hiervoor al werd opgemerkt (art. 8:43 lid 2 Awb). Ten tweede kan de rechtbank bij anderen dan partijen schriftelijke inlichtingen inwinnen of nadere stukken opvragen (art. 8:45 Awb). Ten derde kan de rechtbank getuigen oproepen (art. 8:46 en 8:60 lid 1 Awb). Ten vierde kan de rechtbank een deskundige benoemen en oproepen (art. 8:47 en 8:60 Awb), waaronder een arts (art. 8:48 Awb). Een vijfde categorie die ik hier noem is een oneigenlijke: het benoemen en oproepen van een tolk (art. 8:49 en 8:60 Awb) heeft namelijk niet de functie van het geven van informatie door anderen dan partijen, maar heeft de functie dat hetgeen de eisende partij of een derde in een vreemde taal aanvoert wordt vertaald in een voor de rechter begrijpelijke taal;
zelf een onderzoek instellen, de zogenoemde descente. De rechtbank kan zelf of een gerechtsauditeur of griffier opdragen een onderzoek ter plaatse instellen (art. 8:50 en 8:51 Awb). De rechterlijke ambtenaren en gerechtsambtenaren hebben daarbij toegang tot elke plaats voor zover dat redelijkerwijs voor hun taak nodig is en de rechtbank is daarbij voorts bevoegd een machtiging tot binnentreden af te geven.
Bedacht moet worden dat de bestuursrechter bijna geen gebruik maakt van deze bevoegdheden. In de praktijk is de bestuursrechter vrij lijdelijk. Het is de vraag of deze lijdelijkheid zo erg is. Waar enerzijds de wetgever voor ogen heeft gestaan dat de rechter een actieve rol vervult bij de waarheidsvinding,30 moet anderzijds worden bedacht dat het besluit, dat wil zeggen de bestuurlijke rechtvaststelling, de ingang van de procedure vormt en dat op het bestuur de plicht rust het nodige onderzoek te doen voor het nemen van een besluit.31 Deze uitgangspunten hoeven niet met elkaar te conflicteren.32
De Commissie Evaluatie Awb III schrijft in haar samenvatting van de bevindingen van de onderzoeksgroep met betrekking tot de feitenvaststelling in beroep onder meer: `(…)
Als gezegd blijkt uit het onderzoek dat juist in ongeveer 90% van de onderzochte zaken sprake is van onenigheid over de feiten. In de grote meerderheid van de gevallen baseert de rechter zijn oordeel (...) uitsluitend op een weging van de door partijen naar voren gebrachte (standpunten over de) feiten. Dit houdt onder meer verband met veranderingen in de werkwijze van de bestuursrechter. Het in de wet voorziene vooronderzoek omvat tegenwoordig meestal niet meer dan het opvragen van de stukken en een verweerschrift. Om de doorlooptijden terug te dringen zijn bestuursrechters steeds meer overgegaan tot `zittingsgericht werken'. Dit betekent dat de zaak na ontvangst van de op de zaak betrekking hebbende stukken en het verweerschrift zo snel mogelijk op de zitting wordt gebracht. De rechter bestudeert het dossier pas kort voor de zitting. Daardoor is er weinig tijd meer om nog voor de zitting nader onderzoek naar de feiten te doen, aldus de onderzoekers. Na de zitting alsnog onderzoek naar de feiten doen is op zichzelf wel mogelijk, maar dan moet er in beginsel ook een tweede zitting komen, hetgeen de afdoening van de zaak aanzienlijk vertraagt. Daarom zijn rechters zeer terughoudend met het heropenen van de zaak na de eerste zitting. Het financieringssysteem van de rechtbanken, dat het budget vooral relateert aan aantallen einduitspraken en doorlooptijden, werkt deze terughoudendheid in stand.'33 In een eerder onderzoek naar de determinanten van de werkbelasting in boetezaken is in dit verband ook aangegeven dat de schriftelijke behandeling de rechter minder werklast oplevert dan wanneer partijen hun standpunten ter zitting komen toelichten, dit mede omdat in het bestuursrecht (ten opzichte van andere rechtsgebieden) relatief veel inhoudelijke voorbereiding wordt gedaan door juridisch geschoold ondersteunend personeel.34
Een eerste uitzondering op deze lijdelijkheid vormden tot 1 mei 1997 de arbeidsongeschiktheidszaken. Omdat destijds in die zaken een bezwaarprocedure ontbrak en de rechter omtrent het medische gedeelte daarvan eigen deskundigheid mist, bestond er voor de rechtbanken alleszins aanleiding om in beginsel steeds een arts als deskundige in te schakelen. Nadat de bezwaarprocedure in arbeidsongeschiktheidszaken van toepassing werd en de heroverweging mede aan de hand van een onderzoek door een bezwaarverzekeringsarts diende te geschieden,35 die zonodig (alsnog) de nodige inlichtingen diende te vergaren bij de behandelend sector,36 werd het inschakelen van een deskundige in die zaken de uitzondering.37 Daar was nog slechts aanleiding voor indien beide partijen een sterk — dat wil zeggen een onderbouwd — medisch verhaal hadden en slechts een derde deskundige uitkomst kon bieden omtrent de tegengestelde uitkomsten.38 Het komt er thans op neer dat bij een duidelijk verschil in inzicht in de mogelijkheden van de belanghebbende deze er verstandig aan doet om zelf een rapport op te vragen bij de behandeld sector of een deskundige in te schakelen. Dat de belanghebbende zelf aldus actie moet ondernemen om een behoorlijke kans te maken wordt niet in strijd met art. 6 EVRM geacht.39 Een tweede uitzondering vormt het gebruik door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (StAB). De StAB adviseert de Afdeling standaard in milieu- en ruimtelijke ordening-zaken. Er is wel kritiek op de wijze waarop de Afdeling gebruik maakt van deze wijze van advisering.40 De Afdeling heeft echter geoordeeld dat de wijze van advisering door de StAB voldoet aan art. 8:47 Awb.41 Het advies wordt ook niet altijd gevolgd.42 Mede gelet op het Mantovanelli-arrest43 moet de bestuursrechter wel goed voor ogen houden dat ingeval hij deskundigenadvies inwint, partijen in bepaalde gevallen44 op het deskundigenbericht moeten kunnen reageren voordat de deskundige definitief verslag aan de rechter uitbrengt. Deze eis gaat dus verder dan de in art. 8:47 lid 5 Awb besloten liggende eis dat partijen moeten kunnen reageren op het verslag.
Met betrekking tot het inschakelen van deskundigen door de bestuursrechter wijs ik ten slotte nog op het volgende. Bestuursorganen zijn vaak bij uitstek deskundig op het deelterrein waar zij actief zijn.45 In civiele procedures wordt de AFM wel eens als deskundige benoemt. Zo werd de AFM door de Ondernemingskamer als deskundige benoemd in de Dexia effectenleasezaak.46 Ook kan worden gewezen op een uitspraak van de notariskamer van het Hof Amsterdam waarin het Bureau Financieel toezicht (BFT) door de voorzitter van de kamer van Toezicht was opgedragen een onderzoek te doen naar ABC-transacties door een notaries.47 In die tuchtzaak was het BFT zelf een van de klagers. Deze dubbele pet pakte voor het BFT overigens (aanvankelijk) niet goed uit omdat bijkomende malversaties waarop het BFT stuitte in het onderzoek buiten beschouwing werden gelaten nu de reikwijdte van het onderzoek niet verder mocht strekken dan de onderzoeksopdracht. In het nationale bestuursrecht is het niet goed denkbaar dat het bestuursorgaan wiens besluit ter toetsing voorligt als deskundige wordt benoemd. In art. 8:47 lid 3 en lid 5 Awb wordt immers de deskundige duidelijk onderscheiden van partijen. Dit laat onverlet dat de rechtbank wel inlichtingen kan inwinnen bij partijen (art. 8:45 Awb).