Einde inhoudsopgave
Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes (SteR nr. 63) 2024/6.2.2
6.2.2 Leeftijd
mr. L.S.A. Trapman, datum 19-02-2024
- Datum
19-02-2024
- Auteur
mr. L.S.A. Trapman
- JCDI
JCDI:ADS947803:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Harris e.a. 2018, p. 916. Zie wel EHRM 6 oktober 2005, ECLI:CE:ECHR:2005:1006JUD007402501 (Hirst/the United Kingdom (no. 2)), par. 62, waar het Hof en passant opmerkt dat een leeftijdsvereiste mag worden ingevoerd ‘with a view to ensuring the maturity of those participating in the electoral process’.
Kamerstukken II 1969/70, 10579, nr. 3, p. 1. Het waren overigens dezelfde argumenten die de wetgever er in 1963 toe hadden aangezet om de leeftijd te verlagen van 23 naar 21 jaar.
Zie ook de regering in Kamerstukken II 1978/79, 14223, nr. 6, p. 8, in reactie op de vraag van PSP-leden of de leeftijd niet verder verlaagd zou moeten worden naar 16 jaar. Vgl. CDL-AD(2002)23 van de Venice Commission (30 oktober 2002), Code of Good Practice in Electoral Matters, p. 13, waarin de Venice Commission aangeeft dat de minimumleeftijd voor passief kiesrecht hoger mag liggen dan die voor actief kiesrecht.
Wel wilde de regering ervoor waken dat minderjarigen lid konden worden van de vertegenwoordigende organen. Het zou vreemd zijn als personen die nog geen volwaardig rechtssubject waren, wel Kamerlid konden worden.
Ook een leeftijdseis is een vanzelfsprekende beperking op het kiesrecht. De eis vormt geen onderwerp van geschil in de rechtspraak van het EHRM.1 Het Nederlandse leeftijdsvereiste van 18 jaar volgt uit de artikelen 54 en 56 Gw. Tot 1983 voorzag de Grondwet in een leeftijdsgrens, die voor zowel het actieve als het passieve kiesrecht in de loop der jaren al stapsgewijs verlaagd was. De Grondwet voorzag dus in een minimumleeftijd, die bij formele wet hoger gelegd kon worden.2 Voor wat betreft het actieve kiesrecht was deze grens al in 1972 verlaagd van 21 naar 18 jaar.3 Met deze verlaging werd destijds aansluiting gezocht bij de ontwikkeling in andere West-Europese landen en werd de wens van menig politieke partij vervuld. Een meer principiële reden die werd gegeven voor de verlaging, en waaruit ook de ratio van het überhaupt hanteren van een leeftijdsvereiste blijkt, was dat de regering ervan uitging dat jongere kiezers zich beter konden informeren dan voorheen. De regering dichtte daarbij de ‘nieuwe media’, meer in het bijzonder de televisie, een belangrijke rol toe.4 Het leeftijdsvereiste berust dus onder andere op de gedachte dat de verkiezingen gebaat zijn bij kiezers die zichzelf kunnen informeren en een gemotiveerde keuze (kunnen) maken. Daarvoor zijn een zekere ‘geestelijke rijpheid, een begin van levenservaring en inzicht’ nodig. Dezelfde kwaliteiten zijn vereist voor het passieve kiesrecht.5
De verlaging van de leeftijd voor het passieve kiesrecht naar 18 jaar vond pas doorgang in 1983. Het kabinet zag geen reden om ten aanzien van het passieve kiesrecht een hogere leeftijd te eisen dan ten aanzien van het actieve kiesrecht.6 Dit duidelijk in tegenstelling tot eerdere kabinetten, die immers het leeftijdsverschil in stand hadden gelaten. Zo had de regering tijdens de grondwetsherziening van 1972, waarbij zoals gezegd de leeftijdsgrens voor het actieve kiesrecht al werd verlaagd van 21 naar 18 jaar, gesteld dat het ‘bij het zijn van kiezer en het zijn van gekozene om twee geheel verschillende functies gaat, waarvan de tweede aan de betrokkene een veel zwaardere verantwoordelijkheid oplegt dan de eerste’.7 Deze gedachtegang werd in 1983 dus terzijde geschoven.