Einde inhoudsopgave
Sleutels voor personenvennootschapsrecht (IVOR nr. 102) 2017/2.5.2.3
2.5.2.3 Twee-vorderingenleer
Chr.M. Stokkermans, datum 28-02-2017
- Datum
28-02-2017
- Auteur
Chr.M. Stokkermans
- JCDI
JCDI:ADS592785:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HR 15 maart 2013, JOR 2013/133, NJ 2013/290(Biek Holdings).
Over de twee-vorderingenleer bij de VOF, zie 3.3.3.3. Mohr 1972 spreekt over de Siamese tweelingvordering.
Een vergelijkbaar voorbeeld van dergelijke objectieve aanknoping betreft het retentierecht (art. 3:290 BW).
Stokkermans 2015, par. 2.2.
Wel geldt, in de gevallen waarin de schuldenaren hoofdelijk aansprakelijk zijn, dat iedere schuldenaar namens de overige schuldenaren bevoegd is een aanbod tot afstand om niet van het vorderingsrecht te aanvaarden, voor zover de afstand ook de andere schuldenaren betreft; art. 6:9 lid 1 BW.
Anders: Rb. Rotterdam 9 november 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:8480. Zie 2.4.4.2.
Aldus voor de VOF: HR 9 mei 1969, NJ 1969/307(Rotterdam-Limburg Beurtvaart).
Aldus voor de VOF: HR 13 december 2002, JOR 2003/32, NJ 2004/212(Bon Appetit).
HR 18 december 2015, JOR 2016/28, NJ 2016/32(W/Advocatenmaatschap S). Zie ook sub 10 van de noot van E.C.M. Hurkens onder dit arrest in JBPR 2016/31.
De tot het (afgescheiden) maatschapsvermogen behorende goederen vallenm.i. dus integraal buiten de privévermogens van de vennoten. Dat geldt ook voor de schulden die tot het maatschapsvermogen behoren. Dit laatste volgt uit de twee-vorderingenleer die op de maatschap van toepassing is verklaard in het meerbesproken Biek-arrest uit 2013.1 Voor de VOF heeft de Hoge Raad deze leer al veel eerder aanvaard.2 In het geval van een maatschapsschuld kan de schuldeiser enerzijds een vordering instellen tegen de gezamenlijke vennoten. Deze is verhaalbaar op het maatschapsvermogen. De vennoot kan de hem persoonlijk toekomende verweermiddelen niet aanvoeren. Anderzijds kan de maatschapsschuldeiser de individuele vennoot aanspreken in zijn privévermogen. Daarbij moet de vordering op de ene vennoot worden onderscheiden van de vordering op de andere vennoot. In de twee-vorderingenleer is dus niet sprake van twee vorderingen, maar van een vordering op iedere vennoot persoonlijk plus een vordering op de gezamenlijke vennoten.
Dat een maatschapsschuldeiser de vennoten persoonlijk kan aanspreken, voor een schuld die zij in hun vennootschappelijk verband (‘in naam van de maatschap’) zijn aangegaan, spreekt voor zich. Althans, als men met mij aanneemt dat de maatschap geen rechtssubject is. Daarnaast heeft de maatschapsschuldeiser, zoals gezegd, een afzonderlijke, op het maatschapsvermogen verhaalbare vordering. Dat is bijzonder. De tegenover deze vordering staande schuld van de gezamenlijke vennoten rust niet op hen persoonlijk, maar is verbonden met het maatschapsvermogen, dat een afgescheiden vermogen vormt.
Hier doet zich de bijzonderheid voor van een schuld die primair met een object (i.c. het afgescheiden vermogen) is verbonden. De maatschap is geen rechtssubject; het maatschapsvermogen vormt wel een verhaalsobject.3 Degenen die van tijd tot tijd gerechtigd zijn tot de goederen die tot dat verhaalsobject behoren, kunnen q.q. voor deze schuld worden aangesproken. Zij zijn gezamenlijk q.q. voor de schuld verbonden.4 Deze verbondenheid is beperkt tot hun gerechtigdheid in de tot het maatschapsvermogen behorende goederen (limited recourse). Anders gezegd: de ‘maatschap’ is voor deze schuld verbonden. Deze laatste terminologie is wel enigszins verwarrend, want men kan de indruk krijgen dat de ‘maatschap’ als rechtssubject wordt opgevat. In werkelijkheid wordt enkel gedoeld op de vennoten in hun genoemde hoedanigheid. Het gaat slechts om een verhaalsaansprakelijkheid.
Met het oog op de leesbaarheid spreek ik overwegend over verbondenheid van de gezamenlijke vennoten q.q., maar preciezer is het om te zeggen dat degenen die van tijd tot tijd gerechtigd zijn tot goederen die tot het maatschapsvermogen behoren, q.q. zijn verbonden. Stel, de vennoten A/B/C gaan in maatschap een schuld aan; C wordt als vennoot vervangen door E. Dan blijft de schuld (behoudens schuldoverneming, kwijtschelding, etc.) primair een schuld van A, B en C gezamenlijk, waarvoor zij persoonlijk aansprakelijk zijn. Daarnaast blijft de schuld mede verhaalbaar op de tot het maatschapsvermogen behorende goederen, voor zover die nu aan A/B/E toebehoren én voor zover die nog aan A/B/C toebehoren. Dit komt doordat het maatschapsvermogen als verhaalsobject voor deze gezamenlijke schuld in stand blijft.
Gaan de gezamenlijke vennoten een schuld aan, dan is er in zekere zin maar één (gezamenlijke) schuld. De verbintenissen van de individuele vennoten in privé (in beginsel voor gelijke delen) en de verbintenis van de gezamenlijke vennoten q.q. zijn hiervan afgeleid. Beide hebben ten opzichte van de schuld van de gezamenlijke vennoten een zeker afhankelijk karakter. Dit komt tot uitdrukking bij kwijtschelding. Wordt de schuld aan de gezamenlijke schuldenaren kwijtgescholden, dan vervallen daarmee de verbintenissen van de individuele schuldenaren persoonlijk én de verbintenis van de gezamenlijke vennoten q.q. Met kwijtschelding aan een individuele schuldenaar persoonlijk eindigt noch de persoonlijke verbondenheid van de medeschuldenaren,5 noch de verbondenheid van de gezamenlijke vennoten q.q. En kwijtschelding aan de gezamenlijke vennoten q.q. brengt geen kwijtschelding van de individuele schuldenaren persoonlijk mee.
Als de maatschapsschuld voor de helft door de gezamenlijke vennoten q.q. wordt voldaan (uit het maatschapsvermogen), dan halveert de maatschapsschuld en daarmee ook het bedrag waarvoor de schuldeiser zich nog op elke schuldenaar persoonlijk kan verhalen. Omgekeerd, als een schuldenaar persoonlijk een gedeelte van de maatschapsschuld voldoet, kan de schuldeiser alleen het restant ervan nog op het maatschapsvermogen verhalen.6 Aan het voornaamste kenmerk van hoofdelijkheid, dat nakoming door de een tevens de andere schuldenaar bevrijdt,7 is hiermee voldaan. Men kan zeggen dat elke schuldenaar persoonlijk naast de gezamenlijke vennoten q.q. hoofdelijk aansprakelijk is voor (zijn gedeelte van) de maatschapsschuld. En andersom. Ook als de schuldenaren persoonlijk niet voor het geheel, maar voor gelijke of ongelijke delen aansprakelijk zijn. De vordering van een vennoot in privé is ten opzichte van de vordering op de vennoten q.q. niet subsidiair.8
Al met al is de verhouding tussen de verbintenis van een individuele schuldenaar (vennoot) persoonlijk ten opzichte van de gezamenlijke verbintenis q.q. niet eenvoudig. De verbintenissen hangen samen, maar kennen ook een zekere zelfstandigheid ten opzichte van elkaar. Ik wijs er nog op dat een vordering tegen een vennoot persoonlijk toewijsbaar is zonder dat de aansprakelijkheid van de gezamenlijke vennoten q.q. is vastgesteld.9 En omgekeerd: als de gezamenlijke vennoten q.q. niet in hoger beroep zijn gekomen, betekent dat nog niet dat een individuele vennoot persoonlijk wegens gebrek aan belang niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn hoger beroep.10
Het geval kan zich voordoen dat individuele vennoten persoonlijk én de gezamenlijke vennoten q.q. hoofdelijk tot betaling worden veroordeeld. Bijvoorbeeld voor schade voortvloeiend uit een beroepsfout die is gemaakt in de uitvoering van een aan ‘de maatschap’ verstrekte opdracht. Als dan de gezamenlijke vennoten q.q. in hoger beroep gaan en een vennoot persoonlijk nalaat dit ook te doen, werkt een afwijzing van de vordering tegen de maatschap, verkregen in het hoger beroep, niet mede tegenover die vennoot persoonlijk. Wie hoofdelijk is veroordeeld, kan zelf hoger beroep aantekenen. Het al dan niet gebruik maken van deze mogelijkheid is niet alleen een eigen recht, maar ook een eigen verantwoordelijkheid.11