Bundeling van omgevingsrecht
Einde inhoudsopgave
Bundeling van omgevingsrecht (R&P nr. SB5) 2012/3.3.6.3:3.3.6.3 Integrale afweging van omgevingsbelangen
Bundeling van omgevingsrecht (R&P nr. SB5) 2012/3.3.6.3
3.3.6.3 Integrale afweging van omgevingsbelangen
Documentgegevens:
Mr. J.H.G. van den Broek, datum 01-12-2012
- Datum
01-12-2012
- Auteur
Mr. J.H.G. van den Broek
- JCDI
JCDI:ADS360986:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht (V)
Milieurecht (V)
Omgevingsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Menninga, Integraal omgevingsbeleid? 1997, p. 1.
Van den Broek, Integrale benadering verdient integrale milieuvergunning 1997.
Gilhuis, Over integraal besluiten 2004, p. 205-206 en Gilhuis & Van Gestel, Hoe groen is de Wm? 2002, p. 386.
Uylenburg, Het omgevingsrecht van de toekomst: kiezen en delen 2010, p. 212.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De gedachte achter de integrale afweging van omgevingsbelangen is dat alle omgevingsbelangen met elkaar samenhangen en dus ook vragen om een samenhangende aanpak. Doel van zo'n samenhangende aanpak is een verbetering van de omgeving als geheel. Gaat het bij interne integratie van milieubelangen om het afwegen van milieubelangen, een integrale afweging van omgevingsbelangen is meeromvattend. Het gaat er namelijk om dat alle omgevingsbelangen, dus de belangen van milieu, ruimtelijke ordening, natuur en water integraal worden afgewogen.
De roep om een integrale aanpak van omgevingsvraagstukken bestaat al lang. Zo schrijft Menninga in 1997 een integraler aanpak van omgevingsvraagstukken toe te juichen. Hij denkt daarbij onder meer aan onderwerpen als mobiliteit, duurzaam landelijk gebied, duurzame stedelijke ontwikkeling en grote infrastructurele werken.1 In hetzelfde jaar heb ik in mijn preadvies voor de Vereniging voor wetgeving en wetgevingsbeleid aangegeven dat sinds het begin van de jaren tachtig in het bedrijfsleven ontwikkelingen op gang zijn gekomen die gemeen hebben dat ze uitgaan van een integrale benadering van de milieuproblematiek: duurzame ontwikkeling, bedrijfsmilieuzorg, milieuconvenanten en integratie van economie en milieu.2
In een door het samenhangcriterium fysieke leefomgeving bepaald wetssysteem zou een dergelijke afweging tot uitdrukking kunnen komen door het belang van de fysieke leefomgeving als toetsingskader te introduceren voor het beslissen omtrent een omgevingsvergunning voor een project dat bestaat uit één of meer activiteiten. Anders dan bij externe integratie van milieubelangen is er geen sprake van eenrichtingsverkeer. Er dient niet alleen op het gebied van ruimtelijke ordening, natuur en water rekening te worden gehouden met milieubelangen, maar er moet op de terreinen van milieu, ruimtelijke ordening, natuur en water over en weer rekening gehouden worden met die belangen.
Een niet onbelangrijke, maar buiten mijn onderzoek vallende vraag is de vraag die Gilhuis zich in 2004 al stelde: hoe integraal kunnen wij denken? Hij maakt gewag van een onderzoek waarbij het heel opvallend was dat er ondanks alle discussie onder politici, beleidsmakers en wetenschappers over integratie' en omgevingsbeleid' in de praktijk op alle fronten nog altijd erg sectoraal of verkokerd wordt gedacht. Zo wordt meestal een van de drie sporen, ruimtelijke ordening, natuurbescherming of milieubeheer, dominant geacht voor de bescherming van natuurwaarden. Gilhuis pleit dan ook terecht voor het in het vizier houden van de spankracht van de uitvoerders.3 Uylenburg stelt voor om te onderzoeken of het uitvoeren van een integrale toets praktisch uitvoerbaar is.4