Generale zekerheidsrechten in rechtshistorisch perspectief
Einde inhoudsopgave
Generale zekerheidsrechten in rechtshistorisch perspectief (O&R nr. 86) 2015/10.4.4.1:10.4.4.1 De vertrouwensbescherming tegen een eerder gevestigd stil pandrecht
Generale zekerheidsrechten in rechtshistorisch perspectief (O&R nr. 86) 2015/10.4.4.1
10.4.4.1 De vertrouwensbescherming tegen een eerder gevestigd stil pandrecht
Documentgegevens:
mr. V.J.M. van Hoof, datum 01-06-2015
- Datum
01-06-2015
- Auteur
mr. V.J.M. van Hoof
- JCDI
JCDI:ADS415987:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Van Hoof 2013, p. 252 e.v.; Vgl. Beekhoven van den Boezem & Goosmann 2010a, p. 753; Beekhoven van den Boezem & Goosmann 2010b, p. 51.
Zie: artt. 3:238 lid 2 BW en art. 3:239 lid 4 BW. Vgl. Vriesendorp & Barendrecht 1993, p. 4; Struycken 2009, p. 176-7; Heilbron 2011, p. 64.
Artt. 3:237 lid 2 jo. 2:239 lid 2 BW.
Hamwijk 2014, p. 146.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het BW beschermt een latere vuistpandhouder te goeder trouw tegen een eerder gevestigd stil pandrecht op roerende zaken op basis van artikel 3:238 lid 2 BW. Indien hij het stille pandrecht niet kent of behoort te kennen, krijgt hij een hogere rang dan de schuldeiser met het oudere stille pandrecht. Net als een verkrijger wordt een vuistpandhouder tegen een stil pandrecht beschermd als hij weliswaar kan vermoeden dat er een stil pandrecht is gevestigd, maar hij er redelijkerwijs van uit mag gaan dat de oudere zekerheidsgerechtigde dit niet uitoefent. Anders dan een verkrijger, mag een vuistpandhouder hier niet snel van uit gaan.1 Een vervreemding is immers doorgaans eerder een normale bedrijfsuitoefening dan een verpanding. De kans is namelijk groot dat de schuldenaar reeds eerder al zijn roerende zaken aan de bank heeft verpand en zijn belang bij zekerheid rechtstreeks in conflict komt met het belang van de bank bij zekerheid.
Latere schuldeisers die stille pandrechten willen verkrijgen op roerende zaken en vorderingen of een openbaar pandrecht op vorderingen worden niet beschermd, ondanks het feit dat zij het stille pandrecht mogelijk niet kennen of behoren te kennen.2 Zij zijn slechts afhankelijk van de verklaring van de schuldenaar dat hij zijn zaken of vorderingen niet reeds eerder aan een andere schuldeiser heeft verpand.3 Hamwijk stelt vast dat de bescherming van latere schuldeisers tegen misleiding kennelijk afdoende is bevonden door onder meer de dreiging van strafrechtelijke handhaving van 237 lid 2 BW.4