Einde inhoudsopgave
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/3.2
3.2 Historische lijn
Mr. A.D.W. Soedira, datum 25-02-2011
- Datum
25-02-2011
- Auteur
Mr. A.D.W. Soedira
- JCDI
JCDI:ADS447321:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Kortmann/Faber, Geschiedenis van de Faillissementswet, heruitgave Van der Feltz II, p. 144 en 145.
Kortmann/Faber, Geschiedenis van de Faillissementswet, heruitgave Van der Feltz II, p. 145.
Kortmann/Faber, Geschiedenis van de Faillissementswet, heruitgave Van der Feltz II, p. 146.
Kortmann/Faber, Geschiedenis van de Faillissementswet, heruitgave Van der Feltz II, p. 146.
Zie o.a. HR 8 april 1870, W 3207 en HR 30 januari 1880, W 4476.
Kortmann/Faber, Geschiedenis van de Faillissementswet, heruitgave Van der Feltz II, p. 145.
Zie o.a. Rb. 's-Gravenhage 17 juni 1879, W 4436; Rb. Rotterdam 12 juni 1880, W 4547 en Rb. Amsterdam 9 december 1887, W 5589.
HR 18 mei 1990, NJ 1991, 412 (De Maes Janssens).
r.o. 3.2.
In paragraaf 4.4 zal dit punt nader worden besproken.
Een akkoord is volgens het stelsel van de Faillissementswet een overeenkomst tussen de schuldenaar en zijn gezamenlijke, bij meerderheid van stemmen beslissende, schuldeisers.1 Om bindend te kunnen zijn, dient deze overeenkomst door de rechter te worden gehomologeerd.2 Onder de vroegere wetgeving was het rechtskarakter van het akkoord een punt van beschouwing: moest het akkoord worden gezien als een vonnis dan wel als een overeenkomst. Het behoorde toen tot één van de meest bekende controversen van het faillissementsrecht. In de praktijk was het van groot belang te weten wat de gevolgen waren, indien een gehomologeerd akkoord niet door de schuldenaar werd nagekomen. Het Wetboek van Koophandel regelde deze materie niet en daardoor ontstond er onduidelijkheid over wat het recht van een schuldeiser nu was bij niet-nakoming van een akkoord door de schuldenaar:
"Omtrent de gevolgen der niet-nakoming van een akkoord bestaan twee lijnrecht tegenover elkander staande opvattingen, die hun grond vinden in eene verschillende opvatting van het wezen zelf van het akkoord. Volgens de eene is het akkoord een vonnis en dus onontbindbaar, volgens de andere is het eene overeenkomst en mitsdien als alle wederkeerige overeenkomsten ontbindbaar op grond van wanpraestatie, indien het wederkeerige verbintenissen tot inhoud heeft. (...) Ook de jurisprudentie is verdeeld. De Hooge Raad heeft echter steeds het akkoord als eene overeenkomst en als ontbindbaar beschouwd."3
De wetgever heeft in 1896 een einde gemaakt aan het hiervoor genoemde strijdpunt:
"Hoewel het gehomologeerde akkoord in vele opzichten met een vonnis gelijkstaat, is het toch in zijn wezen niets anders dan een door den rechter, d.i. bij eene rechterlijke beschikking (...) bekrachtigde overeenkomst tusschen den gefailleerde en zijne schuldeischers. Tegen deze beschouwing kan niet obsteeren, dat over het akkoord bij meerderheid van stemmen beslist wordt en dat deze beslissing ook verbindend is, niet alleen voor de niet-geverifieerde schuldeischers, maar zelfs voor hen die tegenstemden. Dit toch vindt zijne eenvoudige verklaring daarin, dat de wet de gezamenlijke schuldeischers van de gefailleerde als eene vereeniging van personen beschouwt en behandelt. Naast de vereeniging uit overeenkomst staat die uit de wet. Met eene zoodanige heeft men hier van doen. De gemeenschap van belangen, de noodzakelijkheid besluiten mogelijk te maken die alle schuldeischers binden, rechtvaardigen deze wijze van behandeling."4
De wetgever achtte het argument dat het akkoord geen overeenkomst kon zijn, omdat de minderheid door de meerderheid aan het akkoord kon worden gebonden, niet valide. Uit de memorie van toelichting blijkt dat de wet de gezamenlijke schuldeisers van de schuldenaar ziet als een vereniging van personen met gemeenschappelijke belangen. Hierdoor moeten en kunnen er volgens de wetgever besluiten worden genomen die alle schuldeisers binden. Ook het gegeven dat een eenmaal aangenomen akkoord vervolgens door de rechter moet worden gehomologeerd, doet aan het kunnen typeren van een akkoord als overeenkomst niet af. De wetgever ziet in de homologatie van een akkoord door de rechter niet meer dan een goedkeuring van de gesloten overeenkomst.5 In het verlengde van het typeren van een akkoord als een overeenkomst ligt dat bij niet-nakoming van een akkoord door de schuldenaar, iedere schuldeiser jegens wie de schuldenaar in gebreke blijft, ontbinding van het akkoord kan vorderen. De vordering tot ontbinding ingesteld door een schuldeiser leidt evenwel tot een algehele ontbinding van het akkoord ten behoeve van de concurrente schuldeisers:
"Het ligt dus in den aard der zaak, dat niet-nakoming der bepalingen van het akkoord door den gefailleerde herstel der gerechtelijke liquidatie ten gevolge moet hebben; deze is alleen losgelaten in ruil voor de minnelijke regeling; (...) Volgens het Ontwerp leidt dan ook niet-nakoming van het akkoord niet tot eene relatieve ontbinding van het akkoord alleen ten behoeve van den schuldeischer die haar vraagt, maar tot eene algeheele ontbinding ten behoeve der gezamenlijke schuldeischers, m.a.w. tot eene wederopvatting, heropening, van 't faillissement."6
Aangezien de wet voor 1896 geen uitsluiting gaf over het rechtskarakter van een akkoord is de lagere rechtspraak rond 1800 enige tijd verdeeld geweest over deze kwestie. De Hoge Raad7 heeft echter al vroeg een akkoord steeds als een overeenkomst en als ontbindbaar beschouwd.8 Geleidelijk aan is de jurisprudentie9 zich op één lijn gaan vestigen, in de zin dat een akkoord wordt gezien als een overeenkomst. Ter illustratie hiervan een arrest van de Hoge Raad uit 1990.10 De casus was in het kort als volgt. Eiseres tot cassatie (hierna: de bank) had een vordering uit een kredietovereenkomst op Hofstee, echtgenoot van verweerster in cassatie (hierna: de De Maes Janssens). Hofstee had een 'onroerend-goed-verklaring' ondertekend, die inhield dat hij verplicht was op eerste aanmaning van de bank, aan deze hypotheek te verlenen op de woning tot zekerheid voor de nakoming van al zijn verplichtingen jegens de bank. Deze verklaring werd mede ondertekend door de echtgenote van Hofstee, De Maes Janssens. Hofstee en De Maes Janssens waren buiten gemeenschap van goederen gehuwd en de woning behoorde in eigendom toe aan De Maes Janssens. Op zeker moment werden Hofstee en De Maes Janssens door de bank aangemaand tot het verlenen van hypotheek op de woning. De Maes Janssens weigerde dit en hierop werd De Maes Janssens door de bank aangesproken uit onrechtmatige daad, aangezien De Maes Janssens de bank in de waan had gebracht door het mede ondertekenen van de 'onroerend-goed-verklaring'. Hierdoor verkeerde de bank in de veronderstelling dat de woning toebehoorde aan Hofstee, waardoor het krediet dat de bank had verstrekt, was gedekt. Tijdens de procedure in hoger beroep tussen de bank en De Maes Janssens werd Hofstee failliet verklaard. Zijn faillissement werd door een akkoord beëindigd, waarbij de schuldeisers, waaronder de bank, 35% van hun vorderingen voldaan kregen. De vordering van de bank op De Maes Janssens werd in twee instanties afgewezen. De Hoge Raad overwoog in rechtsoverweging 3.2 evenwel het volgende:
"Het hof heeft zijn oordeel dat de vordering tot schadevergoeding terecht is afgewezen, kort gezegd, daarmede gemotiveerd dat in het faillissement van de echtgenoot van De Maes Janssens een akkoord is aangeboden en gehomologeerd, krachtens hetwelk de bank betaling heeft ontvangen, althans zal ontvangen van 35% van haar voormelde vordering, van welke vordering zij daartegenover voor het overige afstand heeft gedaan, zodat zij zich niet meer op het standpunt kan stellen dat zij ter zake nog verdere aanspraken heeft en zij het niet door haar ontvangen of te ontvangen deel van die vordering "niet alsnog ten titel van geleden schade kan verhalen". (...) De Faillissementswet beschouwt het akkoord als een overeenkomst en er is geen grond deze overeenkomst ten voordele te doen strekken van een derde op wie de schuldeiser verhaal heeft terzake van het niet voldaan zijn van zijn vordering op de schuldenaar uit hoofde van een door de derde jegens hem gepleegde onrechtmatige daad."11
In het onderhavige arrest wordt door de Hoge Raad bevestigd dat het akkoord een overeenkomst is, die slechts werking heeft tussen partijen. Een derde (i.c. De Maes Janssens) kan hier geen voordeel aan ontlenen, aangezien hij geen partij is bij de overeenkomst. Voor de bank betekent dit dat het akkoord niets af doet aan het verhaal van zijn (gepretendeerde) vordering jegens De Maes Janssens uit hoofde van onrechtmatige daad. De vordering die de bank heeft op De Maes Janssens heeft immers een geheel andere grondslag (onrechtmatige daad) dan de vordering die de bank had jegens Hofstee (de kredietovereenkomst). Opgemerkt dient hier te worden dat deze situatie geen betrekking heeft op art. 160 Fw, althans ook zonder art. 160 Fw kan worden opgelost. Hier geldt de regel dat overeenkomsten slechts gelden tussen partijen en dat derden (waaronder De Maes Janssens) daar in beginsel buiten staan. Niet valt in te zien waarom door een akkoord, rechten van schuldeisers ten opzichte van derden zouden kunnen worden aangetast.12