Einde inhoudsopgave
De reikwijdte van medezeggenschap (MSR nr. 63) 2014/5.4.3
5.4.3 De spreekrechten
Datum 01-01-2014
- Datum
01-01-2014
- JCDI
JCDI:ADS390895:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II, 2009-2010, 31877, nr. 5, p. 16.
E.O. Bijkerk, ‘Het spreekrecht van de OR nader belicht’, V&O 2011-2, p. 27.
Uit een amendement van Kamerlid Kalma blijkt bijvoorbeeld dat zij ervan uitgaat dat de zwaartepunttoets alleen geldt voor de toerekening in concernverhoudingen en niet voor het spreekrecht ten aanzien van de moedervennootschap NV. Kamerstukken II, 2009-2010, 31877, nr. 12.
Uit een amendement van Kamerlid Kalma blijkt bijvoorbeeld dat zij ervan uitgaat dat de zwaartepunttoets alleen geldt voor de toerekening in concernverhoudingen en niet voor het spreekrecht ten aanzien van de moedervennootschap NV. Kamerstukken II, 2009-2010, 31877, nr. 12.
Nu de spreekrechten beperkt zijn tot de Nederlandse NV, valt de buitenlandse topholding niet onder de reikwijdte van de spreekrechten. De minister overweegt het volgende:
“Voor het concern met een topholding naar buitenlands recht, geldt dat deze topholding niet onder de reikwijdte van het wetsvoorstel valt en het ook niet mogelijk is haar daaronder te brengen. Het spreekrecht zal dan kunnen worden uitgeoefend door de bij Nederlandse dochtervennootschappen ingestelde ondernemingsraden in de algemene vergadering van de Nederlandse vennootschap.”1
Wel geldt als voorwaarde dat bij die dochtervennootschap een or is ingesteld en het merendeel van de werknemers van deze vennootschap binnen Nederland werkzaam is.2 Bijkerk leidt hieruit af dat de rechtsvorm van de dochtervennootschap in dat geval irrelevant is. Ook in het geval dat de dochtervennootschap de rechtsvorm van de BV heeft, kan de or van de dochtervennootschap, in zijn visie, zijn spreekrecht uitoefenen.3 Deze visie vloeit volgens Bijkerk voort uit de wetsgeschiedenis, maar is naar mijn mening in strijd met de keuze dat het spreekrecht alleen geldt voor naamloze vennootschappen. Deze situatie is fundamenteel anders dan de toerekening van het spreekrecht aan de ondernemingsraad van de dochtervennootschappen, nu het daarbij nog steeds gaat om invloed op de besluitvorming van de AV(A) van de NV. De wetsgeschiedenis is onduidelijk en daarom moet mijns inziens aangesloten worden bij de tekst van de wetsbepalingen.4 Indien de Nederlandse subholding de rechtsvorm van een NV heeft, kan de or zijn spreekrechten uitoefenen. Deze spreekrechten worden dan uitgeoefend jegens de internationale topholding die in het algemeen de 100% aandeelhouder is van de Nederlandse NV.5 Zo vindt toch nog enige medezeggenschap plaats op het niveau waar de zeggenschap wordt uitgeoefend.