HR, 03-02-2023, nr. 21/05021
ECLI:NL:HR:2023:133
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
03-02-2023
- Zaaknummer
21/05021
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2023:133, Uitspraak, Hoge Raad, 03‑02‑2023; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2021:2115
ECLI:NL:HR:2022:1449, Uitspraak, Hoge Raad, 14‑10‑2022; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2021:2115
Beroepschrift, Hoge Raad, 14‑10‑2022
- Vindplaatsen
V-N 2023/8.14 met annotatie van Redactie
NTFR 2023/247 met annotatie van mr. M. van Leeuwen
NLF 2023/0353 met annotatie van Yola Geradts
Viditax (FutD) 2023020307
FutD 2023-0341
NTFR 2022/3507 met annotatie van mr. M. van Leeuwen
V-N 2022/45.21 met annotatie van Redactie
NLF 2022/2084 met annotatie van Nicoline Bergman
FED 2022/109 met annotatie van P. VAN DER WAL
JB 2022/193
Viditax (FutD) 2022101408
FutD 2022-2804
Uitspraak 03‑02‑2023
Inhoudsindicatie
Artikel 8:60 Awb; aanbod getuigenbewijs. Het eerdere arrest ECLI:NL:HR:2022:1449 is vervallen verklaard bij arrest van ECLI:NL:HR:2023:131
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 21/05021
Datum 3 februari 2023
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 21 oktober 2021, nr. BK-21/001141., op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 19/6722) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2015 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, de daarbij gegeven boetebeschikking en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door A. Laghmouchi, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1
De Inspecteur is bij het vaststellen van de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2015 afgeweken van de aangifte en heeft, voor zover in cassatie van belang, een bedrag van € 124.500 aan gebruikelijk loon in aanmerking genomen ter zake van werkzaamheden verricht voor diverse vennootschappen.
2.2
Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar tegen de aanslag ongegrond verklaard.
2.3
Belanghebbende heeft in bezwaar en beroep verklaard geen werkzaamheden voor de in 2.1 bedoelde vennootschappen te hebben verricht. Bij hogerberoepschrift heeft belanghebbende op grond van artikel 8:60, lid 1, Awb, een bewijsaanbod gedaan om [A] te horen, aangezien die zou kunnen bevestigen dat belanghebbende geen werkzaamheden ten behoeve van de vennootschappen heeft verricht.
3. Beoordeling van de middelen
3.1
Het tweede middel klaagt onder meer dat het Hof het hiervoor onder 2.3 gedane getuigenaanbod onbehandeld heeft gelaten.
3.2
Indien een dergelijk bewijsaanbod is gedaan, kan de rechter in beginsel volstaan met de mededeling dat hij gelegenheid biedt tot uitvoering van dat aanbod, bijvoorbeeld door de belanghebbende in de uitnodigingsbrief voor het onderzoek ter zitting te wijzen op de mogelijkheid getuigen mee te brengen of op te roepen.2.Uit de gedingstukken volgt dat aan belanghebbende een uitnodigingsbrief is verzonden die een zodanige mededeling bevat. In het onderhavige geval blijkt uit de stukken van het geding niet van omstandigheden waaruit zou kunnen volgen dat aan belanghebbende in redelijkheid niet kan worden tegengeworpen dat hij heeft nagelaten getuigen mee te nemen of op te roepen. Het middel faalt.
3.3
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.T. Boerlage als voorzitter, en de raadsheren P.A.G.M. Cools en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2023.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 03‑02‑2023
Vgl. HR 23 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1194, rechtsoverweging 3.3.4.
Uitspraak 14‑10‑2022
Inhoudsindicatie
Vervallen verklaard bij arrest van: ECLI:NL:HR:2023:131 en ECLI:NL:HR:2023:133
Partij(en)
Beroepschrift 14‑10‑2022
MOTIVERING VAN HET BEROEPSCHRIFT IN CASSATIE
inzake
de op 21 oktober 2021 gewezen uitspraak van het gerechtshof te Den Haag, Team Belastingrecht, zaaknummer BK-21/00114, gedaan op 21 oktober 2021 op het hoger beroep van belanghebbende met betrekking tot de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 januari 2021 ten name van:
[X]
wonende te [Z]
belanghebbende
Gemachtigde: mr. A. Laghmouchi, advocaat te […]
Edelhoogachtbare,
Op 7 december 2021 is namens belanghebbende beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van het gerechtshof te Den Haag, ten name van [X]. Bij deze maak ik gaarne gebruik van de geboden gelegenheid om het beroep in cassatie van middelen met toelichting te voorzien.
Achtereenvolgens komen de volgende onderdelen aan de orde:
- A.
Belang van de zaak
- B.
Cassatiemiddelen met toelichting
- C.
Conclusie
A. Inleiding/ belang van de zaak
1.
De uitspraak van het gerechtshof heeft tot gevolg dat de inspecteur van de Belastingdienst het niet verstrekken van inzage in de op de zaak betrekking hebbende stukken eenvoudig af kan doen met de blote stelling dat er geen op de zaak betrekking hebbende stukken zijn. Belanghebbenden worden daardoor onredelijk bezwaard met een bewijslast waaraan deze onmogelijk kan voldoen. De inspecteur van de Belastingdienst heeft de volledige controle en beschikking over essentiële stukken, in dit geval informatie met betrekking tot een strafrechtelijk onderzoek, en belanghebbende niet. Daar komt bij dat het helaas gemeengoed is geworden dat de Belastingdienst geregeld stukken niet inbrengt.
2.
Met de uitspraak van het gerechtshof wordt onjuiste toepassing gegeven aan artikel 12a Wet LB en in het bijzonder het element 'arbeid'. Voorts blijft een strijdigheid met de doel en strekking van artikel 12a Wet LB met de uitspraak van het gerechtshof in stand nu op geen enkele wijze rekening wordt gehouden met het gegeven dat niet voor meer dan één lichaam voltijds gewerkt kan worden.
3.
Met het besluit om niet tot heropening van de procedure in hoger beroep over te gaan wordt belastingplichtige, die in een late fase van een procedure bekend raakt met het feit dat hij opgenomen is in project 1043 en de FSV, ten onrechte gedwongen zijn rechten door middel van een herzieningsverzoeken te proberen te krijgen. Belastingplichtige wordt zo onnodig opgezadeld met een langere procedure en het gerechtelijk apparaat wordt op deze wijze nog meer belast.
B. Cassatiemiddelen met toelichting
Ondergetekende heeft de eer de volgende middelen van cassatie voor te dragen:
I.
Schending van het recht, in het bijzonder schending van artikel 8:42, lid 1, Awb, artikel 14 EVRM en van artikel 8:77 Awb doordat het gerechtshof heeft geoordeeld dat de inspecteur van de Belastingdienst alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft ingebracht door te oordelen dat de informatie uit het strafrechtelijk onderzoek niet als op de zaak betrekking hebbende stuk heeft aangemerkt (rechtsoverweging 5.2) en de vermeldingen met betrekking tot belanghebbende in project 1043 en de FSV niet (al dan niet ambtshalve) als op de zaak betrekking hebbend stuk heeft aangemerkt, zulks ten onrechte, althans op gronden die dat oordeel niet kunnen dragen, zoals hierna wordt uiteengezet.
I.1.
Toelichting: Ter toelichting van dit cassatiemiddel merkt ondergetekende het volgende op.
I.2.
Uit hetgeen het gerechtshof heeft overwogen blijkt dat deze enerzijds terecht heeft geoordeeld dat de inspecteur ex artikel 8:42 lid 1 Awb de op de zaak betrekking hebbende stukken dient te overleggen en dat dit ook geldt voor informatie uit het strafrechtelijk onderzoek indien het aannemelijk is dat die informatie een rol heeft gespeeld bij de besluitvorming, zijnde het opleggen van de aanslag en/of de beslissing op het bezwaar.
I.3.
Uit het arrest van uw College van 23 oktober 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1670, r.o. 2.2.3) blijkt dat indien belanghebbende voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat een bepaald stuk van enig belang kan zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak en daarom door het bestuursorgaan moet worden overgelegd, aan dat verzoek moet worden tegemoetgekomen, mits het bestaan van dat stuk aannemelijk is. Belanghebbende heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat informatie uit het strafrechtelijk onderzoek aanwezig is en dat deze informatie van enig belang kan zijn geweest. Uit rechtspraak volgt dat aan deze stelplicht snel wordt voldaan en daaraan geen hoge eisen worden gesteld. Het gerechtshof is daar ten onrechte aan voorbij gegaan.
I.4.
Bovendien is het gerechtshof om onbegrijpelijke redenen tot de (onjuiste) vaststelling gekomen dat de informatie uit het strafrechtelijk onderzoek geen rol heeft gespeeld bij de besluitvorming en dat de informatie uit het strafrechtelijk onderzoek daarom niet als op de zaak betrekking hebbend stuk kan worden aangemerkt en het overleggen daarvan achterwege kon blijven. Immers, het gerechtshof heeft de informatie uit het strafrechtelijk onderzoek (net als belanghebbende) niet ontvangen en niet kunnen beoordelen. Het gerechtshof kon dan ook onmogelijk tot de vaststelling komen dat de informatie uit het strafrechtelijk onderzoek geen rol heeft gespeeld.
I.5.
Voorts merk ik op dat de overweging dat onweersproken zou zijn dat informatie uit het strafrechtelijk onderzoek niet bij de besluitvorming is betrokken om andere redenen onbegrijpelijk is. Hoewel de inspecteur ook het een en ander heeft aangevoerd kan gelet op hetgeen belanghebbende daartegen over in verschillende instanties heeft aangevoerd niet zonder nadere toelichting worden geoordeeld dat de stelling van de inspecteur tijdens de laatste zitting onweersproken is als diezelfde stelling zowel tijdens de zitting in hoger beroep als in eerdere instanties herhaaldelijk is weersproken. Belanghebbende heeft immers herhaaldelijk voldoende gemotiveerd gesteld dat een bepaald aan de inspecteur ter beschikking staand stuk (de informatie uit het strafrechtelijk onderzoek) van enig belang kan zijn geweest voor de besluitvorming van de inspecteur. Zo heeft belanghebbende in bezwaarfase reeds onderbouwd gesteld dat de Inspecteur op de hoogte was van het strafrechtelijk onderzoek en informatie uit dat onderzoek heeft betrokken bij zijn besluitvorming (het opleggen van de aanslag en de uitspraak op het bezwaar). Ik verwijs onder meer naar pagina 6 van de vooraankondiging op de uitspraak op bezwaar van 23 april 2019, het hoorverslag met dagtekening 12 augustus 2019 (pagina 2 van 4 onderaan onder letter c) en hetgeen in de schriftelijke reactie van 27 augustus 2019 zijdens belanghebbende is aangevoerd (pagina 2 van die reactie). Dit volgt overigens ook uit hetgeen de inspecteur in zijn uitspraak op bezwaar heeft opgetekend. Zie pagina 2 van 3 van de uitspraak op bezwaar van 25 september 2019. Voorts volgt dit uit hetgeen bij randnummers 2.0 en verder van de nadere gronden van beroep is aangevoerd en in de pleitnotitie van 16 december 2020 (bij randnummers 2 tot en met 16) zijdens belanghebbende is opgetekend. Tot slot is van de zijde van belanghebbende in het beroepschrift in hoger beroep (bij randnummers 5.1 tot en met 5.4) en in de pleitnotie van 9 september 2021 (bij randnummers 4.1 en 4.2) wederom onderbouwd gesteld dat niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn ingebracht en is dit tijdens de zitting herhaald (zie het proces-verbaal bij de uitspraak in beroep op de derde pagina bovenaan). Gelet op hetgeen zijdens belanghebbende bij iedere instantie (herhaaldelijk) is aangevoerd volgt dat het standpunt, dat informatie uit het strafrechtelijk onderzoek een op de zaak betrekking hebbend stuk is, door belanghebbende nooit is herzien of ingetrokken.
I.6.
De door het gerechtshof gebezigde overwegingen bij randnummer 5.2 zijn voorts tegenstrijdig. Immers, eerst overweegt het gerechtshof dat belanghebbende veronderstelt (en dus aanneemt) dat informatie uit het strafrechtelijk onderzoek een op de zaak betrekking hebbend stuk zou zijn waarna het gerechtshof vervolgens overweegt dat het stuk niet hoeft te worden ingebracht (en heeft belanghebbende dus geen zicht gehad op het stuk). Belanghebbende moet daarvoor eerst inzage hebben gehad in dat stuk. Hetzelfde geldt voor het gerechtshof. Belanghebbende kan onmogelijk vaststellen of de informatie uit het strafrechtelijk onderzoek door de inspecteur is betrokken bij zijn besluitvorming. Dat kan in eerste instantie alleen de inspecteur doen aan de hand van de stukken die hij alleen kan en moet inbrengen. Pas nadat deze zijn ingebracht kan belanghebbende dit doen (en de rechtbank en het gerechtshof). Dat het gerechtshof desalniettemin niet (grondig) toetst of de inspecteur bij zijn besluitvorming over informatie uit het strafrechtelijk onderzoek beschikte en waar die informatie uit bestond is des te onbegrijpelijker. Het gerechtshof had de inspecteur namelijk moeten opgedragen om de informatie uit het strafrechtelijk onderzoek in te brengen opdat getoetst kan worden in hoeverre de informatie een op de zaak betrekking hebbend stuk is. Het gerechtshof had eerst op basis van de stukken moeten vaststellen dat belanghebbende weet over welke stukken de inspecteur beschikt. Belanghebbende had de stukken uit het strafdossier hebben moeten inzien voordat het gerechtshof überhaupt had kunnen concluderen dat belanghebbende er van uit ging dat de inspecteur haar besluit mede op basis van informatie uit het strafdossier had gevormd.
I.7.
Daar komt bij dat vaststaat dat ambtenaren uit het EOS team betrokken waren bij het onderzoek naar belanghebbende. Ook staat vast dat in de processtukken zijdens belanghebbende (zie onder meer de pleitnotitie van 16 december 2020 zijdens belanghebbende) op de betrokkenheid van deze EOS-ambtenaren is gewezen. Voorts staat vast dat ambtenaren van het EOS team belastingcontroles doen indien er een vermoeden van fraude bestaat en het dus ook zeer aannemelijk is dat er (intensief) contact is geweest met het OM en het dus ook zeer aannemelijk is geweest dat de Belastingdienst dus de beschikking heeft gehad over informatie uit het strafrechtelijk onderzoek. Zelfs als de stukken door de Officier van Justitie niet zijn vrijgegeven blijkt uit het arrest van de Hoge Raad van 5 oktober 2018 (ECU:NL:HR:2018:1863) dat stukken uit een strafrechtelijk onderzoek in de omstandigheid dat belastingdienstmedewerkers die in die hoedanigheid kennis hebben genomen van tot het dossier van de strafzaak behorende stukken, en vervolgens betrokken zijn geweest bij de aanslagregeling, de strafrechtelijke stukken in de fiscale procedure moeten worden beschouwd als op de zaak betrekking hebbende stukken.
I.8.
Als de Belastingdienst op basis van art. 55 AWR bij de politie of het Openbaar Ministerie (OM) gegevens opgevraagd en ontvangen heeft, behoren de daadwerkelijk verstrekte stukken in beginsel tot de op de zaak betrekking hebbende stukken. Het is voor belanghebbende onduidelijk hoe de belastingdienstmedewerkers op de hoogte zijn van het strafrechtelijk onderzoek. De mogelijkheid dat dit via art. 55 AWR is gegaan is dan ook niet uitgesloten.
I.9.
Bovendien heeft de inspecteur van de Belastingdienst ten onrechte vermeldingen met betrekking tot belanghebbende in de FSV niet als op de zaak betrekking hebbend stuk ingebracht. Daarmee heeft de inspecteur van de Belastingdienst geen gevolg gegeven aan de op hem rustende verplichting als bedoeld in artikel 8:42 lid 1 Awb. Het gerechtshof heeft, zelfs nadat deze bij brief van belanghebbende van 30 oktober 2021 zijdens gemachtigde over opname van belanghebbende in de FSV is geïnformeerd en er mogelijk sprake is van discriminatie, daar ten onrechte geen consequenties aan verbonden. Dit klemt des te meer in het onderhavige geval nu uit verschillende rapporten en publicaties (van onder meer de Autoriteit Persoonsgegevens1. en PwC) lijkt te volgen dat de Belastingdienst op onrechtmatige (en mogelijk discriminatoire) wijze gegevens met betrekking tot de nationaliteit en uiterlijke kenmerken van belastingplichtigen heeft verwerkt. Deze rapporten en publicaties alsmede het feit dat ook de gegevens van belanghebbende zijn opgenomen in de FSV-lijst geven sterke aanwijzingen dat ook ten aanzien van belanghebbende persoonsgegevens op onrechtmatige (en mogelijk discriminatoire) wijze zijn verwerkt. De aanleiding voor het onderzoek en de correcties zoals deze bij belanghebbende hebben plaatsgevonden zijn mogelijk discriminerend en (dus) onrechtmatig (want onder meer in strijd met artikel 14 EVRM).
I. 10.
De inspecteur heeft belanghebbende, de rechtbank noch het gerechtshof hier inzicht in gegeven. Het gerechtshof had dan ook niet tot het oordeel kunnen komen dat de informatie uit het strafrechtelijk onderzoek geen op de zaak betrekking hebbend stuk is.
II.
Schending van het recht, in het bijzonder schending van artikel 25, lid 3, AWR, artikel 27e, lid 1, AWR in samenhang met artikel 12a Wet LB, artikel 6 EVRM en van artikel 8:77 Awb doordat het gerechtshof essentiële stellingen en het aanbod zijdens belanghebbende tot het leveren van getuigenbewijs onbehandeld heeft gelaten althans heeft gepasseerd en voorts (kennelijk) heeft geoordeeld dat belanghebbende ten aanzien van meerdere vennootschappen voor het gebruikelijk loon kan worden belast, zulks ten onrechte, althans op gronden die dat oordeel niet kunnen dragen, zoals hierna wordt uiteengezet.
II. 1.
Toelichting: Ter toelichting van dit cassatiemiddel merkt ondergetekende het volgende op.
II.2.
Artikel 12a Wet LB strekt ertoe dat directeuren/aandeelhouders een bij hun arbeid passende arbeidsbeloning opnemen, met de daaraan verbonden gevolgen voor de belasting- en premieheffing en de inkomensafhankelijke regelingen. Het doel van de gebruikelijkloonregeling is te voorkomen dat ab-werknemers door middel van het geheel of gedeeltelijk afzien van een gebruikelijk loon de heffing van inkomsten- en vermogensbelasting ontgaan of onbedoelde voordelen behalen in de sfeer van de sociale zekerheid en (andere) inkomensafhankelijke voorzieningen.2. Uw College heeft eerder overwogen dat met artikel 12a van de Wet LB wordt beoogt dat voor de werkzaamheden van een directeur-grootaandeelhouder ten behoeve van ‘zijn’ vennootschap een zakelijk te achten loon in de heffing van loon- en inkomstenbelasting wordt betrokken teneinde ongewenste salarisconstructies tegen te gaan.3.
II.3.
Het gerechtshof heeft in de rechtsoverwegingen 5.3.1 tot en met 5.6 de overwegingen (het oordeel en de gronden) van de rechtbankten aanzien van het gebruikelijk loon over genomen. Op de uitdrukkelijke stellingen van belanghebbende, die onderbouwd zijn en waarbij een bewijsaanbod is gedaan door middel van getuigenbewijs, dat het in strijd met de tekst van artikel 12a LB en doel en strekking daarvan dat belanghebbende voor alle entiteiten belast wordt voor het gebruikelijk loon is het gerechtshof ten onrechte en om onbegrijpelijke redenen niet ingegaan.
II.4.
Het gerechtshof achtte het kennelijk aannemelijk dat belanghebbende, mede gelet op het feit dat looninkomsten in de aangifte IB/PVV 2015 in aanmerking zijn genomen en dat belanghebbende namens J BV een aangifte BPM zou hebben ingediend, voor meerdere entiteiten als bestuurder voltijd arbeid heeft verricht. Immers, het gerechtshof heeft aangenomen dat de vaststelling van het inkomen op het gebruikelijk loon voor meerdere entiteiten redelijk is. Dit is onbegrijpelijk en in strijd met de tekst en doel en strekking van artikel 12a Wet LB. Zijdens belanghebbende is dit standpunt in de pleitnotitie van 9 september 2021 onderbouwd beargumenteerd.
II.5.
Op de onderbouwde stellingen dat belanghebbende geen althans niet noemenswaardige werkzaamheden heeft verricht (aspect van arbeid in de Wet LB), niet alle entiteiten actief waren en niet in elke entiteit activiteiten werden verricht, entiteiten financieel in een erbarmelijke situatie verkeerden, belanghebbende onmogelijk voltijd voor meerdere entiteiten kon werken, belanghebbende reeds (zij het beperkte) inkomen had aangegeven, et cetera, is het gerechtshof ten onrechte niet ingegaan.
II.6.
Daar komt bij dat het gerechtshof, na een uitdrukkelijk verzoek van belanghebbende om getuigenbewijs, voorbij is gegaan aan het aangeboden getuigenbewijs. Het gerechtshof zet belanghebbende buitenspel door, ten onrechte, niet op het aanbod tot getuigenbewijs in te gaan. Het getuigenverhoor kon namelijk bijdragen aan de verdere onderbouwing van de verklaring van belanghebbende. Belanghebbende is niet de mogelijkheid geboden om een lager gebruikelijk loon aannemelijk te maken onder meer nu belanghebbende onmogelijk voor alle entiteiten arbeid heeft kunnen verrichten althans niet voltijd. Belanghebbende is daarmee ernstig in zijn processuele positie geschaad. Belanghebbende is ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld om verzwaard tegenbewijs te leveren.
II. 7.
Het gerechtshof geeft dus een onjuist rechtsoordeel maar ook een onbegrijpelijk oordeel.
III.
Schending van het recht, in het bijzonder schending van artikel 8:108 jo. artikel 8:68 lid 1 van de Awb, in samenhang met artikel 14 EVRM en artikel 6 EVRM en/of de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (meer in het bijzonder het fair play beginsel) en van artikel 8:77 Awb doordat het gerechtshof (buiten zijn uitspraak) heeft besloten om in reactie om het verzoek (vanwege onder een mogelijke discriminatoire aanleiding voor het belastingonderzoek/ correcties ten aanzien van belanghebbende) te heropenen zonder nadere motivering niet aan het verzoek om heropening tegemoet te komen, zulks ten onrechte, althans op gronden die dat oordeel niet kunnen dragen, zoals hierna wordt uiteengezet.
III. l.
Toelichting: Ter toelichting van dit cassatiemiddel merkt ondergetekende het volgende op.
III.2.
Artikel 8:108 jo. 8:68 lid 1 Awb geeft aan het gerechtshof de mogelijkheid om het onderzoek te heropenen op de door haar te bepalen wijze. De bestuursrechter kan hiertoe ambtshalve besluiten, maar partijen kunnen hier ook om vragen. Belanghebbende heeft zulks gedaan. Zie de brief die zijdens belanghebbende op 30 oktober 2021 per fax aan het gerechtshof is verzonden. Het verzoek om heropening heeft het gerechtshof bereikt vóórdat het gerechtshof (op 1 november 2021) de uitspraak aan partijen heeft bekend gemaakt.
111.3.
Toepassing van de bevoegdheid tot heropening behoeft doorgaans geen nadere motivering, maar op een verzoek daartoe moet de rechter in zijn uitspraak wel ingaan.4. In zijn begeleidende brief, bij de uitspraak van het gerechtshof, van 1 november 2021 heeft het gerechtshof medegedeeld dat het gerechtshof geen aanleiding heeft gezien om het onderzoek te heropenen. Het gerechtshof heeft dit besluit niet gemotiveerd. Opmerkelijk is dat uit de aangevallen uitspraak niet blijkt dat het gerechtshof kennis heeft genomen van het verzoek tot heropening van het onderzoek en daarover in de uitspraak overwegingen heeft gewijd en een oordeel heeft gegeven over het heropeningsverzoek.
III.4.
Voorts neemt belanghebbende het standpunt in dat de motivering om in reactie op het verzoek zijdens belanghebbende niet tot heropening over te gaan ontbreekt. Dit acht belanghebbende onbegrijpelijk in het licht van de stukken van het geding.
III.5.
Belanghebbende heeft bij brief van 30 oktober 2021, nog voor datum waarop de uitspraak bekend is gemaakt, een met gronden onderbouwd verzoek tot heropening ingediend bij het gerechtshof. Het is daarbij onbegrijpelijk hoe het gerechtshof tot het oordeel is gekomen om, zonder nadere motivering, het verzoek af te wijzen. Belanghebbende neemt het standpunt in dat het gerechtshof in dit geval gehouden haar oordeel tot afwijzing te motiveren gelet op de aard, inhoud en strekking van de door belanghebbende aan het verzoek om heropening ten grondslag gelegde stukken en gronden.5.
III.6.
De reden voor dit verzoek was gelegen in het feit dat uit recent ontvangen gegevens is gebleken dat het onderzoek in hoger beroep onvolledig is geweest. Uit deze (gedeeltelijk) bekendgemaakte gegevens blijkt dat belanghebbende in project 1043 en de FSV is opgenomen (zie bijlage bij de brief van 30 oktober 2021 zijdens belanghebbende aan het gerechtshof). Op 29 oktober 2021 heeft de Privacy Autoriteit publiekelijk bekend gemaakt dat aanleiding was aan te nemen dat discriminatie in het spel was. Nu dit feit dateert van vóór de uitspraak van het gerechtshof, de inspecteur van de Belastingdienst wel over deze informatie beschikte en belanghebbende niet, en door belanghebbende spoedig nadat hij bekend was met deze informatie het gerechtshof heeft verzocht om heropening van het onderzoek lag het op de weg van het gerechtshof om over te gaan tot heropening van het onderzoek.
III.7.
Belanghebbende acht het van belang op te merken dat opname in project 1043 en de FSV in andere procedures geleid heeft tot (mogelijk) onrechtmatige onderzoeken, en onrechtmatige aanslagen. Zulks blijkt onder meer uit de op 29 oktober 2021 door de Autoriteit Persoonsgegevens bekendgemaakte bevindingen ten aanzien van deze FSV. Ook Advocaat Generaal Niessen heeft bij zijn conclusie van 17 juni 2021 (20/02304) (ECLI:NL:PHR:2021:617) uitgesproken over de onrechtmatigheid van het gebruik van FSV t.b.v. onderzoeken en de vaststelling van aanslagen. Niet is uitgesloten dat in dit onderhavige geval de vaststelling van de aanslag IB/PVV 2015 en de onderzoeken hieromtrent middels de FSV op een wijze heeft plaatsgevonden die indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht. In dat uitzonderlijke geval komt de inspecteur, vanwege deze onrechtmatigheid, de bevoegdheid om de aanslag IB/PVV 2015 zoals die in dit onderhavige geval is vastgesteld niet toe. Hetgeen voldoende aanleiding is om het onderzoek te heropenen.
III.8.
Zoals de Hoge Raad in zijn arrest uit 2017 al heeft geoordeeld (zie onderdeel 2.3.2 van het arrest HR BNB 2017/79) moet de inmenging in het privéleven berusten op een naar behoren bekend gemaakt wettelijk voorschrift waaruit de burger met voldoende precisie kan opmaken welke op zijn privéleven betrekking hebbende gegevens met het oog op de vervulling van een bepaalde overheidstaak kunnen worden verzameld en vastgelegd, en onder welke voorwaarden die gegevens met dat doel kunnen worden bewerkt, bewaard en gebruikt. Alleen al om die reden heeft opname in de FSV plaatsgevonden in strijd met het recht. Belanghebbende neemt niet alleen het standpunt in dat de door de staatssecretaris aangehouden FSV in strijd is met de AVG, algemene beginselen van behoorlijk bestuur, artikel 8 EVRM en artikel 10 van de Grondwet.
III.9.
Uw College oordeelde voorts bij arrest van 10 december 2021, in het bijzonder de overwegingen 5.2 tot en met 5.4, dat een risicoselectie, verwerking of gebruikmaking van persoonsgegevens onrechtmatig kan zijn, als dit leidt tot schending van een grondrecht. Als sprake is van zo'n uitzonderlijk geval, dan wordt gehandeld op een wijze die zozeer indruist van hetgeen van een behoorlijk handelend overheid mag worden verwacht, dat het gebruik daarvan ontoelaatbaar is. Belanghebbende heeft in zijn heropeningsverzoek het gerechtshof erop gewezen dat van een dergelijke situatie, discriminatie (en daarmee strijdigheid met artikel 14 EVRM), bij hem sprake kan zijn.
III.10.
In dit verband is verder van belang dat de Inspecteur van de Belastingdienst tot op heden ten onrechte geen openheid van zaken heeft verschaft over de opname van de gegevens van belanghebbende in de FSV en in project 1043. De inspecteur heeft ten onrechte geen inzicht verschaft in de mogelijke discriminatoire en onrechtmatige behandeling van belanghebbende bij de fiscale controle, de aanslagregeling en gedurende de bezwaarfase. Dit terwijl de Inspecteur van de Belastingdienst reeds vanaf de aanslagregeling de kans en de verplichting had om die informatie (welke als op de zaak betrekking hebbend stuk heeft te gelden) ex artikel 7:4 lid 2 Awb ter inzage te verschaffen dan wel ex artikel 8:42 lid 1 Awb (jo. 8:108 Awb) in beroep of hoger beroep in te brengen. III.11. Het gerechtshof is tijdig, namelijk vóór bekendmaking (op 1 november 2021) van de uitspraak in hoger beroep, geïnformeerd over opname van de gegevens van belanghebbende in project 1043 en de FSV en mogelijke discriminatoire effecten daarvan in het controle onderzoek en de aanslagregeling. Dat het gerechtshof tijdig op de hoogte was blijkt uit de begeleidende brief bij de uitspraak in hoger beroep. Gelet op de ernst van de verwerkingen en de mogelijke inbreuk op grondrechten (en in het bijzonder artikel 14 EVRM) door de inspecteur van de Belastingdienst door de verwerking van de gegevens van belanghebbende in de FSV vormt voor het gerechtshof voldoende aanleiding om tot heropening over te gaan. Dat het gerechtshof desondanks niet heeft gemotiveerd waarom deze niet tot heropening is overgegaan is des te onbegrijpelijker.
III.12.
Daar komt bij dat het uitblijven van de heropening van de zaak proceseconomisch (zwaar) belastend voor het gerechtelijk apparaat is. Immers, uw College heeft recentelijk geoordeeld dat herziening van een uitspraak mogelijk is in het geval opname in project 1043 dan wel de FSV aan de orde is.6. Dit zou betekenen dat belanghebbende alsnog via de herziening bij het gerechtshof terecht zou komen.7. Immers, dat het gerechtshof bij brief van 1 november 2021 zonder motivering niet is overgegaan tot heropening van het onderzoek staat aan herziening niet in de weg.
C. Conclusie
Ik verzoek uw college de uitspraak van het gerechtshof te vernietigen en conform artikel 29e lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen te beslissen dat het door belanghebbende ingesteld hoger beroep gegrond is en de verweerder te veroordelen in de kosten van het geding, waaronder de kosten voor de fase van bezwaar en beroep in twee instanties.
Belanghebbende wenst voorts graag in de gelegenheid te worden gesteld de zaak door zijn advocaat, ondergetekende, (schriftelijk) te laten toelichten.
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 14‑10‑2022
Zie bijvoorbeeld het rapport van de Autoriteit persoonsgegevens, nr. 22018-22445, verschenen 29 oktober 2021.
Brief van de staatssecretaris van Financiën van 21 januari 1998, nr. DB97/2769U en besluit van 22 mei 2001, nr. CPP2001/3172.
HR 24 juni 2016, nr. 15/02880, ECLI:NL:HR:2016:1269
HR 20 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH3344, BNB 2009/107 r.o. 3.3. Vgl. CRvB 5 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1268
Vgl. ABRvS, 02-07-2007, nr. 200700320/1 (ECU:NL:RVS:2007:BA9467) r.o. 2.1.1
HR 14 januari 2022 ECLl:NL:HR:2022:14, 20/02734