Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/2.4.3.4
2.4.3.4 België
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS478035:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Wet tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de zakelijke zekerheden op roerende goederen betreft en tot opheffing van diverse bepalingen ter zake (Wet wijziging zakelijke zekerheden). De inwerkingtreding is inmiddels uitgesteld tot 1 januari 2017.
Dirix e.a. 1995/6.
Art. 1690 en 2075 BBW. Bij een “burgerlijk pandrecht” dient de pandovereenkomst de vorm te hebben van een authentieke of onderhandse geregistreerde akte (art. 2074 BBW). Zie voor het “handelspand” echter art. 1 van de Wet van 5 mei 1872.
Dirix e.a. 1995/27; R. Jansen 2009/535. Het Hof van Cassatie (9 april 1959, Rechtskundig Weekblad 1959/60, 655) had reeds in 1959 de cessie van toekomstige vorderingen geaccepteerd, mits de gecedeerde vordering daarbij voldoende bepaalbaar was. De werking van deze cessie tegenover derden was echter afhankelijk van de betekening aan de debitor cessus. Dit impliceerde dat op zijn minst de toekomstige schuldenaar van de toekomstige vordering bekend moest zijn. Zie Dirix e.a. 1995/3 en 110. Vgl. de art. 1690 en 1691 (oud) BBW.
MvT, Kamerstuk 2012/2013, 53-2463/001, p. 38.
MvT, Kamerstuk 2012/2013, DOC 53 2463/001, p. 37 (algemeen) en p. 66 (vorderingen). Deze wetgeving ligt uitdrukkelijk in lijn met UNCITRAL Secured Transactions, Recommendation 17.
Zie art. 104 en 105 Wet wijziging zakelijke zekerheden. Zie ook MvT, Kamerstuk 2012/2013, 53-2463/001, p. 17 en 74-75.
36. In het spoor van Frankrijk zal ook België haar zekerhedenrecht ingrijpend herzien.1 Deze algemene herziening is, zoals in Frankrijk, vooraf gegaan door een versoepeling op het punt van cessie en verpanding van toekomstige vorderingen. In 1994 zijn namelijk de bepalingen inzake de overdracht en verpanding van vorderingen gewijzigd om de vlotte mobilisatie van vorderingen in het moderne handelsverkeer te bevorderen en, in het bijzonder, om securitisatietransacties mogelijk te maken.2 De wijziging heeft geleid tot (een aan derde tegenwerpbare) cessie of verpanding die plaatsvindt bij enkele overeenkomst.3 Deze versoepeling heeft de mogelijkheden voor cessie en verpanding bij voorbaat verder verruimd.4 De aanstaande herziening van het zekerhedenrecht heeft de vestiging van zekerheid op toekomstige goederen tot een algemeen uitgangspunt gemaakt van het Belgische recht. Volgens het beoogde art. 8 (van Boek III, titel XVII, hoofdstuk 1, afdeling 1) BBW kan het pandrecht toekomstige goederen tot voorwerp hebben. Daarnaast volgt uit het beoogde art. 63 (van Boek III, titel XVII, hoofdstuk 1, afdeling 1) BBW dat pandrecht gevestigd kan worden op een of meer toekomstige schuldvorderingen op voorwaarde dat zij bepaalbaar zijn. Het pandrecht dat is gevestigd op een toekomstig goed, ontstaat vervolgens zodra de pandgever het toekomstige goed verkrijgt.5 In principe moet een schuldenaar ieder goed, daaronder begrepen alle mogelijke toekomstige goederen, kunnen aanwenden tot het verstrekken van zekerheid.6 Door de herziening van de algemene regeling bestaat er geen behoefte meer aan specifieke regelingen die een zekerheidsrecht op de toekomstige bestanddelen van een algemeenheid mogelijk maken, zoals het pandrecht op de handelszaak. Anders dan bij de Franse hervorming, is er in België voor gekozen om deze figuren af te schaffen.7