Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/II.5.2.3.2
II.5.2.3.2 Het ‘goederenrechtelijke’ bepaaldheidsvereiste
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS622751:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook paragraaf 4.4.2.5 ‘Objectieve bepaalbaarheid’.
Zie paragraaf 4.4.2.2 ‘Bepaaldheidsvereiste en de goederenrechtelijke overeenkomst’. Zie ook Asser/ Bartels & Van Mierlo 2013 (3-IV), nr. 230.
Ten aanzien van de vorderingen heeft in de jurisprudentie een verschuiving plaatsgevonden van bepaaldheid naar bepaalbaarheid : voldoende is dat de akte zodanige gegevens bevat, dat, eventueel achteraf , aan de hand van de akte kan worden vastgesteld om welke vorderingen het gaat. Het is dus niet nodig dat de vordering in de akte zelf moet worden gespecificeerd. Specificatie kan achteraf geschieden, bijvoorbeeld door de administratie te raadplegen. Zie ook paragraaf 4.4.2.4 ‘Voldoende bepaaldheid voor vorderingen op naam’.
Een nalatenschap kan immers registergoederen bevatten en hiervoor geldt de individualisatie-eis resp. het specialiteitsvereiste. Bovendien is er, gelet op het vormvereiste van art. 4:42 lid 3 BW dat van erflater verlangt dat zijn wil in de uiterste wilsbeschikking zelf is gelegen en niet in een stuk waarnaar de erfstelling verwijst (een uiterste wilsbeschikking kan immers alleen bij uiterste wil worden gemaakt en herroepen), voor bepaalbaarheid aan de hand van objectieve gegevens ‘achteraf’ (vgl. de bepaalbaarheid die geldt voor vorderingen op naam) geen plaats. Objectieve omstandigheden, zoals bijvoorbeeld het ten tijde van erflaters overlijden vrijgestelde bedrag voor de heffing van erfbelasting, botsen evenwel niet met art. 4:42 lid 3 BW.
Subjectieve elementen botsten immers niet met het vormvereiste van art. 4:42 lid 3 BW (vgl. mijn zojuist gemaakte opmerking in noot 51 van dit hoofdstuk en zie voorts paragraaf 4.6.4 ‘Vormvoorschriften’). Vgl. ook Pitlo/Van der Burght & Ebben 2004, nr. 221: ‘De delegatie is niet beperkt tot de aanwijzing van legatarissen of lastbevoordeelden, maar kan ook erfstellingen omvatten. Bijvoorbeeld: erfgenaam van één/zesde gedeelte van mijn nalatenschap zal zijn degeen, die naar het oordeel van één of meer bepaalde personen of instanties in het jaar van mijn overlijden de geestigste scriptie over een erfrechtelijk onderwerp heeft geschreven (curs. NB).’ Evenals Asser/Perrick 2013 (4), nr. 148: ‘De erflater kan tot zijn erfgenaam benoemen de leerling van een bepaalde school met het naar het oordeel van de directeur beste eindexamen in het jaar, volgende op dat van het overlijden (curs. NB).’ Zij staan het wel toe dat een erflater aan een derde de bevoegdheid geeft om, aan de hand van door de erflater gegeven richtlijnen, naar eigen oordeel te bepalen wie erfgenaam zal zijn.
Een objectieve maatstaf biedt geen ruimte voor subjectieve elementen en zodoende ook geen ruimte voor wilsdelegatie. Zie paragraaf 4.4.2.5 ‘Objectieve bepaalbaarheid’.
In subparagraaf 4.4 behandelde ik het bepaaldheidsvereiste voor goederenrechtelijke verhoudingen. Dit bepaaldheidsvereiste zag evenwel op de levering van een goed. Omdat voor de erfstelling nu juist geen levering nodig is (zij bewerkstelligt immers een opvolging van rechtswege), lijkt deze uiteenzetting in paragraaf 4.4 (over het bepaaldheidsvereiste dat geldt voor de levering van een goed) niet van toegevoegde waarde voor de opvatting van het bepaaldheidsvereiste ten aanzien van de erfstelling. Niettemin ligt er in paragraaf 4.4 toch een interessante bevinding besloten, die mijns inziens behulpzaam kan zijn bij de vraag in welke mate de erfgenamen door erflater in zijn uiterste wilsbeschikking bepaald moeten zijn. Op welke bevinding doel ik?
Ik doel op de objectieve maatstaf die geldt voor het bepaaldheidsvereiste in goederen-rechtelijke verhoudingen. Een objectieve maatstaf biedt geen ruimte voor subjectieve elementen en zodoende ook geen ruimte voor wilsdelegatie.1
In paragraaf 4.4.2.2 kwam naar voren dat een goed bij de levering voldoende is bepaald wanneer naar objectieve maatstaven kan worden vastgesteld welk goed wordt overgedragen. Hierbij hangt het evenwel van de aard van het goed af in welke mate bepaaldheid is geëist.2 Zo zagen we in paragraaf 4.4.2.3 dat de aard van een registergoed tot een strikter bepaaldheidsvereiste leidt dan de aard van een vordering op naam, waar bepaalbaarheid ofwel specificatie ‘achteraf’ aan de hand van objectieve gegevens voldoet.3 Voor bepaaldheid aan de hand van subjectieve elementen is evenwel geen plaats.
Voor wat de erfstelling betreft geldt dat er meerdere te onderscheiden goederen door de erfgenamen worden verkregen, zoals bijvoorbeeld registergoederen, maar ook roerende goederen en vorderingen. De erfstelling betreft immers de nalatenschap als vermogenseenheid. Het lijkt mij daarom ongewenst om het bepaaldheidsvereiste voor het ene goed soepeler op te vatten dan voor het andere. Omdat de erfstelling de nalatenschap als vermogenseenheid betreft, dient naar mijn mening ook één opvatting van het bepaaldheidsvereiste voor haar te gelden. Dat zal dan, naar alle waarschijnlijkheid, een strikte opvatting van het bepaaldheidsvereiste moeten zijn, zoals deze ook geldt voor de bepaaldheid van registergoederen.4 Hierbij is voor subjectieve elementen geen plaats. Toch wringt zo’n strikte opvatting enigszins met het besef dat erflater behoefte kan hebben aan een flexibele erfstelling die inspeelt op gewijzigde omstandigheden bijvoorbeeld met behulp van wilsdelegatie. Waarom zou een erflater, gelet op zijn testeervrijheid, niet mogen bepalen dat ‘achteraf’ de inhoud van zijn uiterste wil nader wordt geconcretiseerd door subjectieve elementen?5 Of met andere woorden, waarom geldt er voor goederenrechtelijke verhoudingen een objectieve maatstaf?6