Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/3.3.3.2.1:3.3.3.2.1 Inleiding
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/3.3.3.2.1
3.3.3.2.1 Inleiding
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS490745:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 12 juli 2001 (Ferrazzini t. Italië), BNB 2005/222 (m.nt. Langereis), NJ 2004, 435 (m.nt. Alkema), § 29.
EHRM 23 november 2006 (Jussila t. Finland),BNB 2007/150 (m.nt. Feteris), AB 2007/51 (m.nt. Barkhuysen en Van Emmerik), NJCM-Bulletin jrg. 32 (2007), nr. 2, p. 167 e.v. (m.nt. Den Houdijker), § 45.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vanwege de uitleg die het EHRM aan het ‘criminal’-begrip geeft, ligt de toepasselijkheid van dat recht op de belastingprocedure niet voor de hand. Belastingen zijn tenslotte geen straf en de burger is geen verdachte. Het heffen van belasting is dan ook niet een procedure of werkzaamheid die als zodanig binnen het toepassingsbereik van art. 6 valt. Zie Ferrazzini inzake het recht op een behoorlijk (civiel) proces. Daarin overweegt het Hof dat belastinggeschillen buiten het bereik van ‘civil rights and obligations’ ofwel burgerlijke rechten en verplichtingen in de zin van art. 6, lid 1 vallen. Dit ondanks de geldelijke effecten die zij noodzakelijkerwijs voor de belastingplichtige meebrengen.1
In de fiscale boetezaak Jussila overweegt het Hof onder verwijzing naar Ferrazzini dat het art. 6, lid 1 EVRM van toepassing heeft verklaard op procedures betreffende belastingverhogingen, maar dat het artikel niet toepasselijk is op belastinggeschillen zelf. Het is echter niet ongewoon dat procedures de beide elementen combineren en dat het onmogelijk blijkt om daarvan die elementen te onderscheiden, die al dan niet de gegrondheid van een strafaanklacht betreffen. Het Hof betrekt dan ook de Finse (belasting)procedure in zijn oordeel over de gestelde schending van art. 6, voor zover die de gegrondheid van de aan de klager opgelegde verhoging betreft. Dit ondanks dat daarbij tot op zekere hoogte ook de zuivere belastingaanslag – waarop de verhoging ziet – wordt meegenomen.2