Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/7.6.2.2.2
7.6.2.2.2 Voertuig
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291227:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 3 maart 2005, zaak C-428/02, FED 2005/118, m.nt. Swinkels, r.o. 43 (FML).
De verhuur van ligplaatsen voor vaartuigen door een sportvereniging aan haar leden voor de beoefening van sport kan vrijgesteld zijn op grond van art. 132 lid 1, onderdeel m Btw-richtlijn (HvJ EU 25 februari 2016, zaak C-22/15, V-N 2016/15.24 (Commissie/Nederland)).
HvJ EG 3 maart 2005, zaak C-428/02, FED 2005/118, m.nt. Swinkels, r.o. 44 (FML). In art. art. 11 lid 1, onderdeel b, 3° Wet OB is de verhuur van lig- en bergplaatsen voor vaartuigen uitgezonderd van de btw-vrijstelling voor de verhuur van onroerend goed. De wetgever ging ervan uit dat de verhuur van lig- en bergplaatsen niet onder (thans) art. 135 lid 2, onderdeel b Btw-richtlijn valt, maar dat het belasten van deze (met de verhuur van parkeerruimte voor voertuigen vergelijkbare) diensten was toegestaan op grond van (thans) art. 135 lid 2, laatste volzin Btw-richtlijn. Uit het FML-arrest volgt dat deze opvatting van de wetgever onjuist is en dat de verhuur van lig- en bergplaatsen geen optionele, maar een verplichte uitzondering is op de btw-vrijstelling voor de verhuur van onroerend goed.
HR 29 augustus 1990, nr. 26.725, BNB 1990/302.
HvJ EU 15 november 2012, zaak C-532/11, V-N 2012/61.16, r.o. 34 (Leichenich).
HvJ EU 15 november 2012, zaak C-532/11, V-N 2012/61.16, r.o. 32 (Leichenich).
Vgl. HR 29 augustus 1990, nr. 26.725, BNB 1990/302, r.o. 4.2 waarin de Hoge Raad uit de door het Hof vastgestelde feiten en de gedingstukken afleidt dat ‘het kennelijk gaat om de stalling van mobiele caravans voor de periode dat zij door de caravanbezitters niet elders werden gebruikt en dat het Hof alsdan terecht ervan is uitgegaan dat hier sprake is van als voertuigen aan te merken caravans.
Besluit 19 september 2013, nr. BLKB2013/1686M, V-N 2013/54.15, paragraaf 7.4.3. De Staatssecretaris van Financiën is van mening dat de verhuur van ligplaatsen voor woonboten sinds 1 juli 2011 - de datum van de inwerkingtreding van (art. 38 lid 3) Btw-uitvoeringsverordening - niet meer te beschouwen als de verhuur van ligplaatsen voor vaartuigen. Voor die temporele beperking is naar mijn mening geen steun te vinden in het Leichenich-arrest. De uitleg van het uniebegrip ‘verhuur van parkeerruimte voor voertuigen’ in dit arrest kent geen temporele beperking en geldt derhalve sinds de inwerkingtreding van de Zesde Richtlijn (in Nederland: op 1 januari 1979). Dat de Leichenich-zaak gaat over het tijdvak 2002 t/m 2003 - dus ruim voor de inwerkingtreding van (art. 38 lid 3) Btw-uitvoeringsverordening - onderstreept dit.
Het begrip ‘voertuig’ heeft het Hof zo (ruim) uitgelegd dat het alle vervoermiddelen – dus niet alleen vervoermiddelen voor over land, maar ook vaartuigen en luchtvaartuigen – betreft.1 De verhuur van een bergplaats voor vaartuigen op de wal (een winterstalling) of de verhuur van een ligplaats voor vaartuigen in het water kwalificeert daarom in beginsel2 als de belaste verhuur van parkeerruimte voor voertuigen.3 Datzelfde heeft te gelden voor de verhuur van een stuk grond voor het stallen van mobiele caravans.4 De ruime uitleg van het begrip ‘voertuig’ gaat niet zo ver dat vervoermiddelen die een andere bestemming hebben gekregen dan het vervoer van goederen of personen voor de toepassing van art. 135 lid 2, onderdeel b Btw-richtlijn nog steeds als ‘voertuig’ worden beschouwd. Een woonboot die gedurende 30 jaar op dezelfde plaats aan de oever van een rivier is gelegen en blijkens een huurovereenkomst voor de duur van vijf jaar – de looptijd van de huurovereenkomst – niet bestemd is om te worden gebruikt als vervoermiddel, kwalificeert volgens het Hof van Justitie niet (meer) als een voertuig.5 Het Hof baseert dit oordeel mede op art. 38 lid 3 van de Btw-uitvoeringsverordening op grond waarvan voertuigen die bestemd zijn voor stationair gebruik en containers voor de plaats-van-dienst-regels niet als vervoermiddelen worden beschouwd.6 Deze uitleg van het begrip ‘voertuig’ betekent dat de verhuur van parkeerruimte voor een voertuig vereist dat het verhuurde onroerend goed bestemd is voor het parkeren van een mobiel vervoermiddel.7 De verhuur van ligplaatsen voor woonboten is daarom niet aan te merken als de verhuur van parkeerruimte voor voertuigen.8