Einde inhoudsopgave
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/7.2.3
7.2.3 Nederland
mr. J.H.L. Beckers, datum 01-01-2016
- Datum
01-01-2016
- Auteur
mr. J.H.L. Beckers
- JCDI
JCDI:ADS367582:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Aangezien de biedplicht van toepassing is op een ieder die 30% of meer van de stemrechten kan uitoefenen, vallen certificaathouders met een stemvolmacht hier ook onder, zie Kamerstukken II, 2005/06, 30 419, nr. 3, p. 23. Zie uitgebreid § 12.3.2.2.
Weliswaar zou mogelijk uit de toelichting bij de tweede Nota van Wijziging kunnen worden afgeleid dat de Minister hier anders over dacht (zie Kamerstukken II, 2005/06, 30 419, nr. 9, p. 16), maar zelfs al zou dit zo zijn, dan nog kan deze toelichting mijns inziens geen afbreuk doen aan de op zichzelf duidelijke wettekst.
In sommige gevallen kan het onderling overleg namelijk als vennootschap kwalificeren, zie § 11.3 (over de vermoedens van onderling overleg) en § 12.4.2 (toerekening van stemrechten indien onderling overleg als personenvennootschap kwalificeert).
Zie over de doelvennootschap als concert party ook § 8.2.3 (in geval van defensief acting in concert), § 12.3.2.4 sub IV (of door de doelvennootschap gehouden eigen aandelen voor toerekening in aanmerking komen) en § 15.3.5 (of de doelvennootschap moet worden vrijgesteld van de biedplicht).
Uit de definitie van in onderling overleg handelende personen (art. 1:1 Wft) vloeit voort dat niet slechts overleg met de bieder of doelvennootschap, maar ook onderling overleg tussen personen die niet als zodanig kwalificeren, bijvoorbeeld aandeelhouders, maar mogelijk ook certificaathouders1 tot onderling overleg kan leiden. In de definitie wordt immers het woord bieder niet gebruikt.2 De Nederlandse regeling is op dit punt dus duidelijker dan de Overnamerichtlijn (§ 7.2.2).
De onderling overleg-definitie van art. 1:1 Wft spreekt in de ruimste zin over “natuurlijke personen, rechtspersonen of vennootschappen”. De rechtsvorm van een partij is gelet hierop in beginsel niet van belang. Wel rijzen verschillende toepassingsvragen, met name bij de verwijzing naar “vennootschappen”.3 Ook de doelvennootschap zelf valt onder deze omschrijving.4 Wel moet worden bedacht dat toerekening van stemrechten, het belangrijkste rechtsgevolg van acting in concert, pas in beeld komt indien ten minste een van de betrokken partijen stemrechten houdt in de desbetreffende doelvennootschap (zie nader § 12.2.2).