Antichresis en pandgebruik
Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/8.3.2:8.3.2 Uitoefening pandrecht op vorderingen en aandelen
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/8.3.2
8.3.2 Uitoefening pandrecht op vorderingen en aandelen
Documentgegevens:
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264413:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie §8.2.1.
Opzoomer 1879, p. 597; Diephuis 1886, p. 562-563; De Kat 1921, p. 261-262 en 283; Asser/Scholten 1933, p. 424-425; Suijling 1940, nr. 544, voetnoot 2 en nr. 563; Hofmann 1944, p. 447-448.
Diephuis 1886, p. 563; Land 1902, p. 335-336; Meilink 1898, p. 73-76; Suijling 1940, nr. 544, voetnoot 2 en 57; De Kat 1921, p. 281-283.
Land 1902, p. 335-336; De Kat 1921, p. 282.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zoals gezegd was de pandhouder van een vordering bevoegd om de rente van deze vordering te innen. Deze bevoegdheid vloeide voort uit art. 1204 OBW. De analoge toepassing van dit artikel bracht mee dat de pandhouder van aandelen bevoegd was tot de inning van dividend.1
Met de bevoegdheid de rente van een verpande vordering te innen, kwam de verplichting haar in mindering te brengen op de gesecureerde vordering. Dit was evenwel het enige wat de wet regelde over de bevoegdheden van de pandhouder van vorderingen. De wet schreef voor wat de pandhouder met de geïnde rente diende te doen: hij moest haar ‘verrekenen’ met de gesecureerde vordering.2
Het ligt niet voor de hand dat het hier ging om verrekening als technische term. De rechtsfiguur die wij kennen als verrekening, werd in het OBW namelijk niet met dit woord aangeduid, maar met “compensatie” of “vergelijking van schuld”.3 De pandgebruiker bracht de geïnde rente of dividenden dus in mindering op de gesecureerde vordering. De wettelijke regels van compensatie waren hierop niet van toepassing.
De bevoegdheden van de pandhouder van aandelen beperkten zich tot de bevoegdheid tot executoriale verkoop van de verpande aandelen en de inning van dividend.4 De pandhouder was dus niet verplicht tot stortingen op het aandeel, maar had ook geen stemrecht. Wilde de pandhouder wel stemrecht krijgen, dan diende hij de aandelen tot zekerheid aan zich te laten overdragen.5