RvdW 2025/1093:Profijtontneming, w.v.v. uit medeplegen diefstal met geweld (diamantroof op Schiphol in 2005). Redelijke termijn in feitelijke aanleg. Heeft hof beoordelingskader redelijke termijn miskend door overschrijding redelijke termijn niet te beoordelen per instantie maar voor ontnemingsprocedure als geheel? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR 17 juni 2008, NJ 2008/358, m.nt. P.A.M. Mevis en HR 9 februari 2021, NJ 2021/70, m.b.t. beoordelingskader overschrijding redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep en vraag welk rechtsgevolg daaraan moet worden verbonden. Hof heeft overwogen dat ‘ontnemingsprocedure als geheel’ periode van ruim 5 jaren en 5 maanden heeft bestreken omdat op 1 november 2018 ontnemingsvordering in e.a. aan betrokkene is betekend en hof op 12 april 2024 uitspraak heeft gedaan. Vervolgens heeft hof, uitgaande van redelijke termijn ‘van 2 jaren per instantie’, geoordeeld dat redelijke termijn met ruim 1 jaar en 5 maanden is overschreden. Daarmee heeft hof het hiervoor weergegeven beoordelingskader miskend. Dit leidt echter niet tot cassatie. Hof heeft overwogen dat redelijke termijn in e.a. is aangevangen op 1 november 2018, te weten de dag waarop ontnemingsvordering aan betrokkene is betekend. Rb heeft op 22 juni 2023 uitspraak gedaan. Namens betrokkene is op 28 juni 2023 hoger beroep ingesteld, waarna hof op 12 april 2024 uitspraak heeft gedaan. Aldus is in e.a. de redelijke termijn met meer dan 2 jaren en 7 maanden overschreden, terwijl hof binnen 10 maanden na het instellen van h.b. uitspraak heeft gedaan. Tegen deze achtergrond is rechtsgevolg dat hof heeft verbonden aan overschrijding van redelijke termijn (bestaande in vermindering van vastgesteld ontnemingsbedrag met € 5.000) niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping. Samenhang met RvdW 2025/1094 en RvdW 2025/1095 en met 24/01454 P (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, betrokkene n-o). Vervolg op HR 17 oktober 2023, NJ 2024/34, m.nt. J.M. Reijntjes (strafzaak).