Einde inhoudsopgave
Het EVRM en het materiële omgevingsrecht (SteR nr. 22) 2015/4.3.2.2
4.3.2.2 Artikel 2 EVRM
D.G.J. Sanderink, datum 01-03-2015
- Datum
01-03-2015
- Auteur
D.G.J. Sanderink
- JCDI
JCDI:ADS447489:1
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Omgevingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Vergelijk ook Xenos 2007, p. 238.
EHRM 2 december 2008 (ontvankelijkheidsbeslissing), Furdík/Slowakije (zaaknr. 42994/05).
Zie daarover hoofdstuk 3.
Dat de klager mijns inziens beter had kunnen klagen over een schending van de positieve verplichting om (adequate) concrete handelingen te verrichten, komt doordat de Slowaakse regelgeving weliswaar geen strikte termijn voorschreef maar wel bepaalde dat de hulpdiensten verplicht waren eenieder ‘indispensable medical assistance without unjustified delay’ te verlenen. De beschrijving van de feiten in de uitspraak biedt mijns inziens sterke aanknopingspunten voor het oordeel dat juist de wijze waarop de concrete reddingsoperatie van de dochter van de klager was uitgevoerd onnodig traag en onvoldoende gecoördineerd was.
EHRM 2 december 2008 (ontvankelijkheidsbeslissing), Furdík/Slowakije (zaaknr. 42994/05). Over de positieve verplichting om regelgeving uit te vaardigen overwoog het EHRM vervolgens overigens het volgende: ‘[T]he Court considers that the State’s duty in this context also involves the setting up of an appropriate regulatory framework for rescuing persons in distress and ensuring the effective functioning of such a framework (…).’
Concrete handelingen ter beëindiging van een aantasting in de vorm van overlijden is niet mogelijk. Daar is dan ook geen rechtspraak over. Concrete handelingen ter beëindiging van een aantasting in de vorm van een levensbedreigende ziekte of verwonding zijn wel mogelijk door hulp (vooral medische hulp) te verlenen.1 Daar is wel rechtspraak over, maar bij mijn weten niet specifiek in omgevingsgerelateerde situaties. De uitspraak aan de hand waarvan het best geïllustreerd kan worden wat de positieve verplichting onder artikel 2evrm om concrete handelingen te verrichten ter beëindiging van bestaande aantastingen in omgevingsgerelateerde situaties zou kunnen inhouden is naar mijn oordeel de ontvankelijkheidsbeslissing-Furdík/Slowakije.2 In deze zaak was de dochter van de klager gewond geraakt bij het beklimmen van een berg. Zij was om 12.14 uur een eind naar beneden gevallen, maar bleef daar aan haar touw hangen. De gewaarschuwde reddingsdiensten vlogen na enig oponthoud met een helikopter naar de plaats van het ongeval en bereikten het slachtoffer pas om ongeveer 16.00 uur. Tot die tijd was zij bij bewustzijn en aanspreekbaar geweest. Om 16.10 uur overleed zij echter aan haar verwondingen. Bij het ehrm verweet de klager de Slowaakse overheid dat zij niet in regelgeving had voorgeschreven dat de reddingsdiensten (behoudens overmacht) binnen 10 tot 15 minuten na ontvangst van een noodmelding ter plaatse moesten zijn. Deze klacht betrof daarom formeel een vermeende schending van de positieve verplichting om regelgeving uit te vaardigen.3 Uiteindelijk oordeelde het ehrm dat de Slowaakse regelgeving over de verlening van noodhulp niet in strijd was met deze positieve verplichting. De feiten leenden zich echter ook goed en mijns inziens, gezien de omstandigheden van het geval, zelfs beter voor de stelling dat sprake was van een schending van de positieve verplichting om concrete handelingen te verrichten ter beëindiging van een bestaande aantasting van een door artikel 2 evrm beschermd belang (namelijk de levensbedreigende verwonding van de dochter van de klager).4 Ten aanzien van de verlening van noodhulp, die op zichzelf als concrete handeling aangemerkt kan worden, bevat de uitspraak onder meer de volgende interessante overweging:
‘For the Court, and having regard to the above considerations, the State’s duty to safeguard the right to life must also be considered to extend to the provision of emergency services where it has been brought to the notice of the authorities that the life or health of an individual is at risk on account of injuries sustained as a result of an accident. Depending on the circumstances, this duty may go beyond the provision of essential emergency services such as fire-brigades and ambulances and, of relevance to the instant case, include the provision of air-mountain or air-sea rescue facilities to assist those in distress.’5
Deze overweging is ook voor omgevingsgerelateerde situaties van belang. In omgevingsgerelateerde situaties kunnen personen immers ook levensgevaarlijk gewond of ziek raken, waardoor noodhulp noodzakelijk wordt. Te denken valt in dit verband aan ontploffingen van industriële installaties, de ontsnapping van gifwolken en overstromingen door doorbraken van dijken of dammen.